Belanghebbende, die sinds 2008 diverse activiteiten ontplooit waaronder een adviesbureau en een biologische rozenkwekerij, kreeg voor 2012 een aanslag opgelegd waarbij zijn verlies uit onderneming niet werd geaccepteerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelt anders.
Het hof stelt vast dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar, omdat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Vervolgens beoordeelt het hof of de activiteiten van belanghebbende in 2012 een bron van inkomen vormden. Ondanks positieve ontwikkelingen in 2017, waaronder het hervatten van werkzaamheden en het kweken van rozen onder licentie, concludeert het hof dat in 2012 geen reële verwachting bestond dat de activiteiten tot een positief resultaat zouden leiden.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat de door belanghebbende genoemde bedrijven rechtspersonen zijn en niet vergelijkbaar met zijn situatie als eenmanszaak. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, handhaaft de aanslag en heffingsrente, verklaart belanghebbende ontvankelijk, en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.