Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verricht sinds 2008 activiteiten via een eenmanszaak op markten en evenementen, waaronder een adviesbureau en markthandel in diverse producten. Deze activiteiten zijn sinds de start verlieslijdend. In 2012 heeft belanghebbende een verlies uit onderneming opgevoerd, maar de inspecteur heeft dit niet geaccepteerd en het belastbaar inkomen vastgesteld op een hoger bedrag.
De kern van het geschil is of de activiteiten voor belanghebbende een bron van inkomen vormen. De rechtbank stelt vast dat dit het geval is als er deelname aan het economische verkeer is, het oogmerk bestaat om voordeel te behalen en dit voordeel redelijkerwijs te verwachten is. Alleen het laatste punt is in geschil.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat met zijn activiteiten redelijkerwijs voordeel te verwachten is, ondanks zijn inzet en investeringen. De activiteiten zijn verlieslijdend gebleven en er is geen indicatie dat dit zal veranderen. Daarom is de aanslag terecht opgelegd. Mocht in de toekomst wel sprake zijn van een bron van inkomen, dan kan op grond van artikel 3.10 Wet IB 2001 worden beoordeeld of aanloopkosten van voorgaande jaren ten laste kunnen worden gebracht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de activiteiten geen bron van inkomen vormen.