Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[klaagster] ,
[gemachtigde] ,wonende te Heerlen,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Klaagster, werkzaam als leerkracht, deed aangifte tegen een bedrijfsarts en leden van het schoolbestuur wegens valsheid in geschrift, mishandeling en dwang. De bedrijfsarts had in een rapportage gesteld dat klaagster niet arbeidsongeschikt was door ziekte, maar door een arbeidsgeschil, wat leidde tot klachten en een waarschuwing door het Regionaal Tuchtcollege.
De officier van justitie besloot tot niet vervolging wegens onvoldoende bewijs. Klaagster diende vervolgens een beklag in bij het hof met het verzoek tot vervolging. Het hof oordeelde dat het Regionaal Tuchtcollege de bedrijfsarts had gesanctioneerd, maar dat dit niet automatisch strafrechtelijke verwijtbaarheid impliceert.
Er was geen bewijs voor valsheid in geschrift of mishandeling, noch voor wederrechtelijke dwang door de schoolbestuurders. Het hof vond strafvervolging niet opportuun omdat klaagster andere meer geëigende juridische mogelijkheden heeft. Het beklag werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het gerechtshof wijst het beklag af en bevestigt het niet vervolgen wegens onvoldoende bewijs en onopportuunheid.