ECLI:NL:GHSHE:2018:3728

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 januari 2018
Publicatiedatum
10 september 2018
Zaaknummer
K17/200082
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 225 SrArt. 284 SrArt. 300 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beklag tegen niet vervolging bedrijfsarts en schoolbestuur wegens valsheid en mishandeling

Klaagster, werkzaam als leerkracht, deed aangifte tegen een bedrijfsarts en leden van het schoolbestuur wegens valsheid in geschrift, mishandeling en dwang. De bedrijfsarts had in een rapportage gesteld dat klaagster niet arbeidsongeschikt was door ziekte, maar door een arbeidsgeschil, wat leidde tot klachten en een waarschuwing door het Regionaal Tuchtcollege.

De officier van justitie besloot tot niet vervolging wegens onvoldoende bewijs. Klaagster diende vervolgens een beklag in bij het hof met het verzoek tot vervolging. Het hof oordeelde dat het Regionaal Tuchtcollege de bedrijfsarts had gesanctioneerd, maar dat dit niet automatisch strafrechtelijke verwijtbaarheid impliceert.

Er was geen bewijs voor valsheid in geschrift of mishandeling, noch voor wederrechtelijke dwang door de schoolbestuurders. Het hof vond strafvervolging niet opportuun omdat klaagster andere meer geëigende juridische mogelijkheden heeft. Het beklag werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof wijst het beklag af en bevestigt het niet vervolgen wegens onvoldoende bewijs en onopportuunheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht
Klachtnummer: K17/200082
Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 januari 2018 inzake het beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[klaagster] ,

wonende te Heerlen,
hierna te noemen: klaagster,
bijgestaan door haar gemachtigde,
[gemachtigde] ,wonende te Heerlen,
over de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant tot het niet vervolgen van:

[beklaagde 1] ,

bedrijfsarts te Helmond,
[beklaagde 2] ,
rector van het [naam scholengemeenschap] te Helmond
en
[beklaagde 3] ,
voorzitter van de Raad van Bestuur van de [scholengroep],
hierna te noemen: beklaagden, en elk afzonderlijk: beklaagde,
wegens valsheid in geschrift c.q. valse verklaring door een arts, mishandeling en/of dwang.

De feitelijke gang van zaken.

Op 5 september 2016 is namens klaagster tegen beklaagden aangifte gedaan van valsheid in geschrift c.q. valse verklaring door een arts, mishandeling en/of dwang.
Bij brief van 6 januari 2017 is namens de officier van justitie aan de gemachtigde van klaagster bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd wegens onvoldoende bewijs.
Hierop is namens klaagster bij schrijven van 17 februari 2017 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 20 februari 2017, met het verzoek de vervolging te bevelen.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 6 april 2017 het hof geraden het beklag af te wijzen.
Op 17 november 2017 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar gemachtigde.
De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Klaagster was als leerkracht werkzaam bij het [naam scholengemeenschap] te Helmond. Op 14 september 2015 vond een e-mailwisseling plaats tussen klaagster en beklaagde [beklaagde 2] , rector van genoemde school. Klaagster kaartte daarin onder meer pestgedrag van collega’s aan. Beklaagde [beklaagde 2] reageerde daarop als volgt: “Pesten acht ik uitgesloten en valt niet onder professionele verhoudingen.” Tevens deelde hij klaagster mede dat terugplaatsing van klaagster naar het VWO-team niet aan de orde is.
Klaagster meldde zich vervolgens ziek op 21 september 2015.
Op 30 september 2015 vond een gesprek plaats tussen klaagster en de bedrijfsarts, beklaagde [beklaagde 1] . Het bijbehorende Formulier Bedrijfsarts vermeldde “Ziekmelding uit de medische sfeer halen omdat er sprake is van een arbeidsconflict”. Dit gesprek mondde uit in een rapportage van beklaagde [beklaagde 1] waarin als conclusie stond vermeld dat klaagster niet arbeidsongeschikt is door ziekte en/of gebrek, maar dat de klachten voortvloeien uit het arbeidsgeschil. Geadviseerd werd klaagster zo spoedig mogelijk hersteld te melden.
Op 11 november 2015 heeft beklaagde [beklaagde 1] , naar aanleiding van een door klaagster aan haar verschaft exemplaar van een rapportage van de GZ-psycholoog werkzaam bij GGZ van 13 oktober 2015, haar advies heroverwogen.
Over de gang van zaken op 30 september 2015 heeft klaagster geklaagd bij het Regionaal Tuchtcollege van de Gezondheidszorg te Eindhoven. Beklaagde [beklaagde 1] voerde daarbij verweer tegen de aantijgingen van klaagster, onder meer door te stellen dat zij klaagster bij het consult op 30 september 2015 serieus heeft genomen, dat zij goed heeft geluisterd en dat zij klaagsters klachten heeft besproken. Het Regionaal Tuchtcollege van de Gezondheidszorg oordeelde desondanks op 11 juli 2016 dat beklaagde [beklaagde 1] in haar zorgplicht als bedrijfsarts tekort was geschoten doordat niet is gebleken van voldoende deugdelijk onderzoek op 30 september 2015 naar klaagsters klachten. Beklaagde [beklaagde 1] heeft hiervoor van het Regionaal Tuchtcollege een waarschuwing opgelegd gekregen.
Namens klaagster is op 5 september 2016 aangifte gedaan tegen beklaagden.
Tegen beklaagde [beklaagde 1] is aangifte gedaan van valsheid in geschrift c.q. valse verklaring door een arts en/of mishandeling. Volgens klaagster is de rapportage van beklaagde [beklaagde 1] valselijk opgemaakt en zijn de klachten als gevolg daarvan toegenomen, hetgeen als mishandeling moet worden geduid.
Tegen beklaagden [beklaagde 2] en [beklaagde 3] is aangifte gedaan van dwang en (zo blijkt uit de klacht) van uitlokking van de feiten die aan beklaagde [beklaagde 1] worden verweten. De dwang zou hebben bestaan uit het, nog voordat het Regionaal Tuchtcollege van de gezondheidszorg uitspraak had gedaan, klaagster dwingen om te kiezen uit een aantal arbeidsrechtelijke opties. Het verwijt jegens beklaagde [beklaagde 3] is een afgeleide van het verwijt jegens beklaagde [beklaagde 2] , aangezien het handelen van laatstgenoemde werd gefiatteerd door eerstgenoemde.
Het hof overweegt als volgt:
Dat het Regionaal Tuchtcollege van de Gezondheidszorg de handelwijze van beklaagde [beklaagde 1] heeft gesanctioneerd door te oordelen dat niet is gebleken van voldoende deugdelijk onderzoek op 30 september 2015 naar klaagsters klachten, brengt nog niet met zich mede dat beklaagde [beklaagde 1] daarmee strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde [beklaagde 1] was er blijkens haar verweer bij het Regionaal Tuchtcollege van de Gezondheidszorg van overtuigd dat hetgeen zij rapporteerde conform de waarheid was. Naar het oordeel van het hof ontbreekt op grond van het vorenstaande dan ook het bewijs voor de in art. 225 e.v. Sr bedoelde valsheid. Aan het dossier kunnen voorts geen aanwijzingen worden ontleend dat beklaagde [beklaagde 1] opzet had op het toebrengen van pijn of letsel c.q. benadeling van de gezondheid, als bedoeld in art. 300 Sr Pro. Ook voor mishandeling ontbreekt derhalve het bewijs.
De handelwijze van beklaagde [beklaagde 2] valt voorts niet onder het bereik van art. 284 Sr Pro te brengen, aangezien geen sprake is geweest van wederrechtelijke dwang met een van de in genoemd artikel opgesomde dwangmiddelen. Reeds daarom kan van enige strafrechtelijke betrokkenheid van beklaagde [beklaagde 3] evenmin sprake zijn.
Gelet op het vorenstaande valt bij strafvervolging van een of meer beklaagden niet redelijkerwijs te verwachten dat dit tot een veroordeling zal leiden.
Voorts overweegt het hof dat, zelfs al zou er in het feitencomplex enig strafbaar feit te ontwaren zijn, strafvervolging van een of meer beklaagden niet opportuun is, aangezien klaagster andere gerechtelijke mogelijkheden ten dienste staan om tegen het in haar ogen gedane onrecht op te komen, welke andere gerechtelijke mogelijkheden bovendien meer geëigend zijn dan de strafrechtelijke.
Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door
mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mr. P.T. Gründemann en mr. R.W.J. van Veen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,
op 23 januari 2018.
Mr. R.W.J. van Veen is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.