Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,2. [appellante] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4700136, rolnummer 15-15191)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met 7 producties en een vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- [appellant] en [appellante] hebben in oktober 2014 aan [geïntimeerde] opdracht gegeven tot het verrichten van een aantal werkzaamheden in hun woning, waaronder het leggen van vloerverwarming.
- [geïntimeerde] heeft ter bevestiging van de hem gegeven opdracht een opdrachtbevestiging met orderdatum 13 oktober 2014 aan [appellant] en [appellante] gezonden. Voorts heeft [geïntimeerde] aan [appellant] en [appellante] een opdrachtbevestiging met orderdatum 18 november 2014 gezonden ter bevestiging van enig overeengekomen meer- en minderwerk.
- [geïntimeerde] heeft op grond van de aldus tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst van aanneming van werk werkzaamheden verricht in de woning van [appellant] en [appellante] .
- [geïntimeerde] heeft aan [appellant] en [appellante] een factuur van 30 september 2014 ten bedrage van € 6.600,-- toegezonden (waarop hij bij creditfactuur van 10 december 2014 € 419,86 heeft gecrediteerd). [appellant] en [appellante] hebben de factuur van 30 september 2014 (naar het hof begrijpt: verminderd met het gecrediteerde bedrag) voldaan.
- [geïntimeerde] heeft aan [appellant] en [appellante] voorts twee facturen van 10 december 2014 toegezonden ten bedrage van € 5.643,92 en € 1.497,55 (waarop hij € 136,66 heeft gecrediteerd). [appellant] en [appellante] hebben deze facturen onbetaald gelaten. In totaal hebben [appellant] en [appellante] € 7.004,81 onbetaald gelaten (€ 1.497,55 plus € 5.643,92 min € 136,66).
- [appellant] en [appellante] hebben aan [geïntimeerde] meegedeeld dat de door hem verrichte werkzaamheden niet naar hun tevredenheid zijn verricht.
- In opdracht van [appellant] en [appellante] heeft ir. [deskundige aan de zijde van appellanten 1] , verbonden aan [expertise 1] Expertise, op 25 februari 2015 een onderzoek uitgevoerd naar de vloerverwarming en de daarop aangebrachte cementdekvloer in de woning. [deskundige aan de zijde van appellanten 1] heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 1 april 2015. In dit rapport wordt geconcludeerd, kort samengevat, dat de cementdekvloer in de keuken onvoldoende dik is waardoor er onvoldoende dekking bestaat tussen de bovenzijde van de leidingen van de vloerverwarming en de bovenzijde van de cementdekvloer. Ook staat in het rapport dat, indien moet worden vastgesteld of dit gebrek in de woonkamer ook aanwezig is, de vloer in de woonkamer geopend moet worden.
- Bij brief van 29 april 2015 van hun rechtsbijstandsverzekeraar hebben [appellant] en [appellante] [geïntimeerde] in gebreke gesteld ter zake enkele in de brief opgesomde tekortkomingen in de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden. Daarna heeft correspondentie plaatsgevonden tussen de rechtsbijstandsverzekeraars van beide partijen.
- In opdracht van [appellant] en [appellante] heeft [deskundige aan de zijde van appellanten 1] op 24 juli 2015 een nader onderzoek uitgevoerd naar de ligging van de slangen van de vloerverwarming en de daarop aangebrachte cementdekvloer in de woonkamer. [deskundige aan de zijde van appellanten 1] heeft zijn bevindingen uit dit onderzoek neergelegd in een aanvullend rapport van 25 september 2015. In dit rapport wordt geconcludeerd, kort samengevat, dat ook in de woonkamer de dikte van de cementdekvloer boven de leidingen van de vloerverwarming onvoldoende is.
- In opdracht van [geïntimeerde] heeft [deskundige aan de zijde van geintimeerde] van [expertise 2] Expertise op 16 november 2015 de situatie in de woning opgenomen. [deskundige aan de zijde van geintimeerde] heeft zijn bevindingen over de door [appellant] en [appellante] gestelde gebreken neergelegd in een rapportage van 27 november 2015. In dit rapport wordt voor wat betreft de vloerverwarming geconcludeerd, samengevat, dat de te geringe dekking van de cementdekvloer op de vloerverwarming “in feite” wel een tekortkoming is maar geen staafbare nadelige gevolgen heeft.
- In opdracht van [appellant] en [appellante] heeft [deskundige aan de zijde van appellanten 1] bij e-mail van 4 december 2015 nog kort op het rapport van [deskundige aan de zijde van geintimeerde] gereageerd.
- In opdracht van [appellant] en [appellante] heeft ing. [deskundige aan de zijde van appellanten 2] van [expertise 1] op 7 november 2016 (dus nadat het bestreden vonnis was gewezen) een onderzoek gedaan naar de wijze waarop [geïntimeerde] in de woning deuren en kozijnen heeft gemonteerd. [deskundige aan de zijde van appellanten 2] heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapportage van 6 januari 2017.
- een hoofdsom van € 19.098,50 ter zake herstelkosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding;
- € 1.784,75 ter zake de kosten van de door [expertise 1] uitgevoerde onderzoeken, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding;
- € 965,99 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- herstelkosten ondervloer € 14.450,--
- herstelkosten houten vloer € 10.528,82
- herstelkosten deuren en kozijnen
- Subtotaal € 26.103,31
- verrekening met onbetaald factuurbedrag -/-
- € 7.004,81 ter zake het door [appellant] en [appellante] onbetaald gelaten factuurbedrag, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding;
- € 1.169,80 ter zake de kosten van het expertiserapport van [expertise 2] Expertise, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding;
- € 809,-- ter zake buitengerechtelijke kosten;
- De vloerverwarming is niet geheel conform de eisen van deugdelijk werk aangebracht. Deze tekortkoming van [geïntimeerde] is echter te gering om herstel op de door [appellant] en [appellante] gewenste wijze te rechtvaardigen (rov. 4.2.2 tot en met 4.2.4).
- Van een tekortkoming bestaande uit het onjuist aanbrengen van kozijnen is geen sprake (rov. 4.3).
- Van een tekortkoming bestaande uit het onjuist afhangen van deuren is geen sprake (rov. 4.4).
- De vorderingen van [appellant] en [appellante] in conventie zijn dus niet toewijsbaar (rov. 4.5).
- Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt dat [appellant] en [appellante] zich met betrekking tot hun verbintenis tot betaling van het onbetaald gelaten factuurbedrag niet kunnen beroepen op opschorting of verrekening. Het in reconventie gevorderde bedrag van € 7.004,81 is daarom opeisbaar (rov. 4.7).
- De kosten van het expertiserapport van [expertise 2] Expertise moeten voor rekening van [geïntimeerde] zelf blijven (rov. 4.8).
- De vordering in reconventie ter zake buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar (rov. 4.9).
- de vorderingen van [appellant] en [appellante] in conventie afgewezen;
- [appellant] en [appellante] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld;
- [appellant] en [appellante] in reconventie veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 7.004,81 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 maart 2016 (de datum van het instellen van de eis in reconventie);
- [appellant] en [appellante] in de proceskosten van het geding in reconventie veroordeeld;
- het in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- A. voor het herstel van de vloer primair (zonder verrekening met het nog openstaande factuurbedrag) € 24.978,82, althans subsidiair (na verrekening met het nog openstaande factuurbedrag) € 17.974,01, vermeerderd met de wettelijke rente over het toewijsbare bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding;
- B. voor het herstel van de kozijnen en deuren € 1.650,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding;
- C. ter zake expertisekosten € 2.736,42, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding;
- D. € 965,99 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- het alsnog toewijzen van hun vorderingen in conventie;
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie;
- € 1.500,-- voor het tijdelijk uithuizen en inhuizen alsmede het afdekken van de keuken;
- € 1.160,-- voor het verwijderen van de houten vloerafwerkingen inclusief verwijderen van de lijmresten en afvoeren;
- € 1.375,-- voor het primeren van de onderlaag en het voorzien van de gehele vloer van een voldoende dikke egalinelaag;
- € 9.815,-- voor het leveren en plaatsen van een nieuwe houten vloerafwerking gelijk aan bestaand, inclusief leveren en monteren van plinten;
- € 600,-- voor het inkorten van deuren en plinten en aanpassen van overige aansluitingen.
- I. de deur van de trapkast kiert aan de bovenzijde;
- II. het kozijn tussen de hal en de woonkamer is te hoog geplaatst;
- III. het kozijn tussen de keuken en de garage is te laag geplaatst en is te breed voor de betreffende deur.