Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[de vennootschap 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[de vennootschap 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 3] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 13 februari 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;
- het proces-verbaal van pleidooi van 4 september 2018;
6.De beoordeling
- € 500.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% per jaar vanaf 22 oktober 2010, althans vanaf 20 september 2012, tot aan de dag der algehele voldoening,
- € 621.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 september 2012, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening,
- € 8.197,75 aan buitengerechtelijke incassokosten,
- de proceskosten, beslagkosten en nakosten.
"(...) Met de woorden "hoofdelijk garant" in de overeenkomst van 20 september 2012 wordt bedoeld dat als er niet betaald wordt, alle in de overeenkomst genoemde partijen dan garant staan voor betaling van de genoemde vorderingen (...)".Hiermee kan in redelijkheid naar het oordeel van het hof niet iets anders zijn bedoeld dat indien en pas nadat [de vennootschap 4] . en/of [de vennootschap 5] niet aan hun betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldleningen zouden voldoen, [geïntimeerde 1] c.s. vervolgens tot betaling uit hoofde van die geldleningen zouden kunnen worden aangesproken. Hiermee verbonden [geïntimeerde 1] c.s. zich dus ten opzichte van [appellant] c.s. tot nakoming van de verbintenissen uit hoofde van de beide geldleningen, die voormelde schuldenaren tegenover [appellant] c.s. hadden of zouden krijgen. Daarmee is sprake van een overeenkomst van borgtocht als bedoeld in artikel 7:850 lid 1 BW Pro, waarbij [geïntimeerde 1] in privé, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zich als hoofdelijke borgen hebben verbonden. Zij konden op grond van het bepaalde in artikel 7:855 lid 1 BW Pro daarom pas door [appellant] c.s. worden aangesproken op het moment dat [de vennootschap 4] . en/of [de vennootschap 5] in de nakoming van hun betalingsverplichtingen ten opzichte van [appellant] c.s. tekort schoten. Dat partijen de bedoeling zouden hebben gehad van het bepaalde in artikel 7:855 lid 1 BW Pro af te wijken, is door [appellant] c.s. onvoldoende gemotiveerd gesteld.
4/8/11 € 250.000
12/10/11 150.000
- Dat partijen zouden zijn overeengekomen dat de revenuen uit [handelsnaam vennootschap 6] / [de vennootschap 5] ten goede zouden komen aan [appellant] c.s. en dat daarom de betalingen als revenuen en niet als aflossingen gezien moeten worden, is weliswaar door hen gesteld, maar is in rechte, mede gelet op de gemotiveerde betwisting en bij gebreke van enige (duidelijke) schriftelijke vastlegging van de beweerde afspraken, nog niet komen vast te staan. De enkele verwijzing naar het e-mailbericht van de heer [accountant] , accountant van [appellant] c.s., van 23 januari 2011 (productie 1 mvg) is daartoe, mede gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door [geïntimeerde 1] c.s. (zie nr. 58 mva) onvoldoende.
- Het gelijk van [appellant] c.s. kan ook niet (zonder meer) afgeleid worden uit het overzicht van 30 april 2012. Nog los van het feit dat [geïntimeerde 1] c.s. gemotiveerd hebben betwist dat sprake is van een schuldbekentenis en van een goedschrijven waarmee de verschuldigdheid van een bedrag van € 2.183.220,00 zou zijn erkend, hebben [geïntimeerde 1] c.s. bestreden dat de handgeschreven bedragen en tekst op het moment van ondertekenen van het overzicht al op het overzicht waren aangebracht. Dat [geïntimeerde 1] c.s. met ondertekening van het overzicht erkend zouden hebben dat betalingen ten bedrage van € 450.000,00 niet als aflossing beschouwd zouden kunnen worden, staat dan ook nog niet vast.