Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
6.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 23 januari 2018;
- het ambtshalve royement van de zaak op de voet van artikel 226 Rv Pro;
- het exploot van 2 juli 2018, waarbij [appellante] [betrokkene 1] op de voet van artikel 118 Rv Pro heeft opgeroepen om door een advocaat te verschijnen in deze procedure en met [appellante] voort te procederen;
- het exploot van 2 juli 2018, waarbij [appellante] [betrokkene 2] op de voet van artikel 118 Rv Pro heeft opgeroepen om door een advocaat te verschijnen in deze procedure en met [appellante] voort te procederen;
- Het in tweevoud ingediende H-formulier van 18 juli 2018 waarbij [appellante] haar huidige advocaat heeft gesteld en heeft verzocht om de ambtshalve geroyeerde zaak op 24 juli 2018 te hervatten, waarbij tevens is aangegeven dat de wederpartij is geïnformeerd.
7.De verdere beoordeling
- de vaststaande feiten;
- de vorderingen van [appellante] c.s. in conventie;
- de vordering van [geïntimeerde] in reconventie;
- de door de rechtbank in het eindvonnis van 9 maart 2016 genomen beslissing;
- de door [geïntimeerde] genomen conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties van 2 september 2014;
- de door [appellante] genomen conclusie van antwoord in reconventie van 5 november 2014;
- een B8-formulier met aanvullende stukken van [appellante] ;
- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 28 november 2014;
- de door [appellante] genomen conclusie van repliek na comparitie, tevens wijziging eis, met producties van 8 april 2015;
- de door [geïntimeerde] genomen conclusie van dupliek met producties van 8 juli 2015;
- de akte uitlating van [geïntimeerde] van 5 augustus 2015;
- de tussenbeslissing van 24 augustus 2015;
- de pleitnota van [appellante] van 1 december 2015.
- de hierboven in rov. 7.3.1 opgesomde processtukken;
- de daarbij behorende producties;
- eventuele abusievelijk niet in bovenstaande opsomming opgenomen processtukken met producties (het hof wijst erop dat onderaan blz. 1 van het vonnis melding wordt gemaakt van “de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.”; dat doet vermoeden dat tot de gedingstukken ook stukken behoren die niet op de hierboven genoemde inventarislijst zijn vermeld, dan wel dat aan de pleitnota van [appellante] producties waren gehecht).