In deze civiele erfrechtelijke procedure vorderen de kinderen van de erflater de vaststelling van de waarde van de nalatenschap en de omvang van hun legitieme portie. De erflater had aan zijn kinderen bedragen gelegateerd die pas opeisbaar zouden zijn na het overlijden van zijn levenspartner. De kinderen betwisten de waarde van de nalatenschap en stellen dat een bedrag van €247.000,-- dat contant was opgenomen in mei 2004, op een Luxemburgse bankrekening is gestort en nog toebehoorde aan de erflater bij zijn overlijden.
Het hof heeft uitgebreid bewijs onderzocht, waaronder getuigenverklaringen van partijen en derden, en verklaringen van een belastingadviseur. De verklaringen van partijgetuigen bevatten vermoedens maar geen direct bewijs. Andere getuigen leverden onvoldoende concrete aanwijzingen dat het bedrag op een Luxemburgse rekening stond of nog bestond bij overlijden. De belastingadviseur verklaarde dat het vaker voorkomt dat vermogens worden weggeschonken bij remigratie naar Nederland, wat de mogelijkheid opent dat het geld is verbruikt of weggegeven.
Het hof concludeert dat appellanten niet in hun bewijs zijn geslaagd en dat de nalatenschap een negatieve waarde heeft. De aanspraken van de kinderen op hun legitieme portie worden daarom op nihil gesteld. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg en veroordeelt appellanten in de proceskosten van het hoger beroep.