In deze civiele zaak is het hoger beroep behandeld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarbij de minderjarige kinderen onder toezicht werden gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege zorgen over hun ontwikkeling.
De ouders betwistten de ondertoezichtstelling en voerden aan dat de situatie inmiddels was verbeterd, met positieve signalen van school en BSO, en dat er geen actuele bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen bestond. De Raad handhaafde het verzoek vanwege aanhoudende zorgen en gebrek aan samenwerking van de ouders. De GI bevestigde een grote weerstand van de ouders tegen samenwerking en beperkte informatievoorziening.
Het hof oordeelde dat niet voldoende was aangetoond dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. Hoewel er zorgen waren en sprake was van een gesloten gezinssituatie, waren de positieve schoolrapportages en het ontbreken van concrete bedreigingen doorslaggevend. De ondertoezichtstelling werd daarom per 8 november 2018 vernietigd en het verzoek van de Raad afgewezen vanaf die datum, terwijl de ondertoezichtstelling voor de periode daarvoor werd bekrachtigd.