Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 23 augustus 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- een brief van 24 augustus 2016 van [geïntimeerde 1] c.s. met producties;
- een brief van 29 augustus 2016 van [appellant] met producties;
- het proces-verbaal van comparitie van 13 september 2016;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep met eiswijziging;
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
- de akte depot van [appellant] ;
- de akte overlegging producties ten behoeve van pleidooi van [appellant] ;
- de akte houdende producties van [geïntimeerde 1] c.s.;
- het schriftelijk pleidooi van [appellant] ;
- het schriftelijk pleidooi van [geïntimeerde 1] c.s..
6.De beoordeling
- nummer [nummer 1] , ter grootte van negentwintig are (29a);
- nummer [nummer 2] , ter grootte van achtennegentig are en vijfenvijftig centiare (98a 55ca); en
- nummer [nummer 3] , ter grootte van drie hectare, tien are en drieënzeventig centiare (3 ha 10 a 73 ca);
c.s. vorderen thans, kort samengevat, veroordeling van [appellant] tot betaling van:
De stelplicht en de bewijslast ter zake het tot stand komen van de koopovereenkomst rusten in het onderhavige geval op [geïntimeerde 1] c.s..
Partijen hadden al voor 25 juli 2014 volledige overeenstemming over de essentialia van de koopovereenkomst. Partijen hadden over en weer de wil om gebonden te worden, zeker nu partijen, naast overeenstemming over object, prijs en leveringsdatum, ook overeenstemming hadden over een voorbehoud van een passende financiering en dat [appellant] aan [geïntimeerde 1] € 200.000,- schuldig zou blijven tot 1 december 2016 als onderdeel van de financiering. De overeenkomst van 25 juli 2014 vormt de vastlegging daarvan en daarmee is een perfecte koopovereenkomst tot stand gekomen.
De gang van zaken is meer in het bijzonder als volgt geweest. Op 12 juni 2014 heeft [appellant] een bod gedaan op de woning van € 1.390.000,00. [geïntimeerde 1] heeft vervolgens aan [appellant] gevraagd of hij ook een bod wilde doen op de woning en de omliggende grond en heeft daarbij een bedrag van € 1.600.000,00 genoemd. [appellant] heeft daarop verklaard niet te weten of hij deze € 200.000,- ook gefinancierd zou kunnen krijgen. [geïntimeerde 1] heeft toen gezegd dat hij bereid was die € 200.000,- te financieren, doordat [appellant] deze
Volgens [geïntimeerde 1] c.s. is nooit met [appellant] gesproken over de problemen die zij met de [bank] hadden en is specifiek op 25 juli 2014 ook niet de afspraak gemaakt dat [geïntimeerde 1] de [bank] zou verzoeken om medewerking met de uitgestelde betaling van een deel van de koopprijs. Gelet daarop, zo begrijpt het hof de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s., kon [appellant] niet weten dat de afspraak dat € 200.000,- van de koopprijs twee jaren na de levering zou worden betaald, mogelijk problematisch was en kon hij aan die (mogelijke) problemen ook geen voorbehoud ontlenen. Om die reden, zo begrijpt het hof de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. verder, hoefden zij met een dergelijk voorbehoud in elk geval geen rekening te houden en mochten zij erop vertrouwen dat [appellant] zich op 25 juli 2014 volledig en definitief wilde verplichten om woning en grond te kopen voor € 1.600.000,-.
Volgens [appellant] is uitdrukkelijk gesproken over de vereiste toestemming van de [bank] . Gelet daarop, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellant] , moest het ook [geïntimeerde 1] c.s. op 25 juli 2015 duidelijk zijn dat de toen gemaakte en schriftelijk vastgelegde afspraken geen koopovereenkomst inhielden, maar dat uitsluitend sprake was van een vastlegging van de deelonderwerpen waarover al overstemming bestond, in afwachting van het ontstaan van duidelijkheid op andere essentiële punten.
Uit productie 26b bij akte houdende producties leidt het hof af dat de woning en het perceel grond van [geïntimeerde 1] c.s. in 2014 belast waren met hypotheken (afgesloten bij de [bank] ) met een totale hoofdsom van € 1.275.000,00. Voorts was er sprake van een bankgarantie voor een bedrag van € 400.000,00. Het opgebouwde kapitaal in de verschillende leningdelen bedroeg in totaal € 194.622,56. Bij verkoop van de woning en het perceel aan [appellant] voor een bedrag van € 1.600.000,00, waarbij een gedeelte van
€ 200.000,00 pas per 1 december 2016 hoefde te worden betaald, zou dit er toe leiden dat de schuld aan de [bank] niet in zijn geheel op 1 december 2014 zou kunnen worden ingelost. De namens [geïntimeerde 1] c.s. gemaakte rekensom (punt 6 in schriftelijk pleidooi) is voor het hof dan ook niet te volgen, omdat [geïntimeerde 1] c.s. er daarbij kennelijk vanuit gaan dat [appellant] op 1 december 2014 een bedrag van € 1.600.000,00 zou betalen, terwijl nu juist uitgangspunt tussen partijen was dat een bedrag van € 200.000,00 pas twee jaar later zou hoeven te worden betaald.
€ 1.600.000,00 op 1 december 2014 moest betalen. Dat dat voor [appellant] een probleem was, wisten [geïntimeerde 1] c.s. ook.