Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 26 juni 2018;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met een productie, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2018;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 21 september 2018;
- de ter zitting in hoger beroep door [appellante] overgelegde verklaring;
- de ter zitting in hoger beroep door beide partijen overgelegde pleitnotities.
3.De beoordeling
- de transitievergoeding ad € 82.104,12 bruto;
- de billijke vergoeding ad € 411.714,- bruto;
- de schadevergoeding inzake ouderdomspensioen ad € 101.743,- bruto;
- de schadevergoeding inzake nabestaandenpensioen ad € 11.294,- netto;
- de schadevergoeding inzake arbeidsongeschiktheidspensioen ad € 10.335,- netto;
- de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ad € 21.483,55 netto, althans
- het volgens de kantonrechtersformule berekende bedrag ad € 403.932,- bruto;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ad € 21.483,55 netto, althans
“De rechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 32 en 34 en nr. 4, p. 61).”Vervolgens is de Hoge Raad in die beschikking ingegaan op omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding. Met inachtneming van de in die beschikking geformuleerde gezichtspunten, overweegt het hof over de hoogte van de billijke vergoeding als volgt.