Belanghebbende is eigenaar van een melkveebedrijf met bedrijfswoning dat in matige staat verkeert. De WOZ-waarde van de onroerende zaak werd aanvankelijk vastgesteld op €491.000, maar na bezwaar en ambtshalve verlaging uiteindelijk op €402.000 vastgesteld. De kern van het geschil betrof de vraag of de waarde van de woondelen juist was vastgesteld en of de onroerende zaak terecht als niet-woning was aangemerkt voor de heffing van onroerende-zaakbelastingen.
De Heffingsambtenaar overlegde een taxatierapport waarin de waarde van de woning op €266.116 werd gesteld, wat minder dan 70% van de totale waarde is. Het hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar hiermee voldoende aannemelijk had gemaakt dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient, zodat de aanslagen terecht zijn opgelegd volgens het niet-woningentarief.
Verder oordeelde het hof dat geen inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht zoals bedoeld in het EVRM, omdat belanghebbende de mogelijkheid had om bezwaar te maken en de waarde te betwisten. Omdat de WOZ-waarde ambtshalve was verlaagd, had de rechtbank de uitspraken op bezwaar moeten vernietigen. Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar, en handhaafde de ambtshalve vastgestelde waarde en aanslagen. Tevens werd belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed en werd de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten.