Uit het ontbonden huwelijk van de moeder en vader is een minderjarige geboren die sinds 2016 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI) en sinds 2017 in een pleeggezin woont. De rechtbank had het gezag van de moeder beëindigd, wat de moeder in hoger beroep aanvocht.
De moeder erkent dat zij momenteel geen perspectief kan bieden aan de minderjarige, maar wijst op haar verbeterde situatie en de goede samenwerking met de GI en het pleeggezin. De raad en GI benadrukken echter dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat het kind behoefte heeft aan duidelijkheid en beslissingen die zijn belang vooropstellen. De omgang tussen moeder en kind is verminderd vanwege de draagkracht van het kind, niet door gebrek aan inzet van de moeder.
Het hof overweegt dat de bedreiging bestaat uit ingrijpende levensgebeurtenissen, gebrek aan passende ontwikkelingsondersteuning en onveilige situaties. De moeder is niet in staat binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. Het hof bekrachtigt daarom de beëindiging van het gezag van de moeder, met het oog op het belang van de minderjarige en de noodzaak van duidelijke besluitvorming zonder onduidelijkheid door betrokken volwassenen.