Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/297280 / HA ZA 15-216)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de akte van [appellante] met producties;
- de akte van [geïntimeerde] .
3.De beoordeling
dat ten behoeve en ten nutte van de bij deze akte verkochte onroerende goederen en ten laste van die aan de verkoper in eigendom toebehorende (..) wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg van – en naar de openbare weg, genaamd [weg] , uit te oefenen over de bestaande rijdam aan de westzijde van de woning met erf en tuin van de verkoper”.
3.6. (..) de akte [van vestiging van de erfdienstbaarheid] vermeldt niet méér dan dat er een erfdienstbaarheid van weg zal zijn, uit te oefenen over de bestaande rijdam. De akte bevat geen nadere aanduiding over de breedte die deze rijdam dient te hebben.
3.7. Wat er ook zij van de breedte die de rijdam dient te hebben, [schoonzoon van geïntimeerde] is op grond van de op zijn perceel gevestigde erfdienstbaarheid van uitweg verplicht te dulden dat [betrokkene] gebruik maakt van de rijdam. [schoonzoon van geïntimeerde] dient daartoe [betrokkene] de onbelemmerde toegang tot zijn erf te verlenen en mag derhalve niet zijn auto op zodanige wijze op het erf parkeren dat [betrokkene] zijn perceel niet kan bereiken. Het is [schoonzoon van geïntimeerde] tevens niet toegestaan obstakels van andere aard op het pad aan te brengen die [betrokkene] hinderen in de uitoefening van zijn recht.
gemeten vanaf de binnenzijden van een tweetal, aan beide zijden van bedoelde weg, gelegen plantenbakken”.
In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het er, gelet op de betwisting door [geïntimeerde] , om gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een gebod niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter voorts niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, NJ 2004, 410). De rechter kan bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren”. Met dit terecht gehanteerde criterium verhoudt zich echter niet de uitwerking daarvan door de rechtbank in de laatste zin van rov 3.4. : “
Dit brengt (dan ook) mee dat van de executierechter kan worden verlangd dat deze onderzoekt of een verzuim van de veroordeelde zo ernstig is dat daarmee de dwangsommen zijn verbeurd.”.Immers, indien de rechter - na zijn uitleg van het veroordelende vonnis - constateert dat sprake is van een overtreding, is de dwangsom verbeurd. Met deze laatste zin lijkt de rechtbank dan ook niet zozeer het oog te hebben op de uitleg van de inhoud van de veroordeling, maar veeleer op de uitleg van het handelen van de veroordeelde.
Voor een optimale doorgang dient de breedte van het hek te bedragen (..)3,60 meter.”.Die landbouwvoertuigen zelf waren volgens de deskundige 3 meter breed, hetgeen de maximale toegestane breedte was volgens het destijds geldende Voertuigreglement. Hierbij moest worden opgeteld
“2 keer 15 centimeter voor de hefinrichting”.Verder hadden die voertuigen bij de doorgang door het hek nog 2x 15 centimeter manoeuvreerruimte nodig.
effectieve breedte” aldus, dat voertuigen van 3.00 meter breed, met aan beide zijden een hefinrichting van 15 centimeter, niet alleen door het hek moeten kunnen gaan (waarvoor de opening in het hek 3.60 meter breed moet zijn), maar ook ongehinderd over de rijdam moeten kunnen rijden. Nu gesteld noch gebleken is dat de spoorbreedte van dergelijke voertuigen breder is dan maximaal de breedte van het voertuig zelf, 3.00 meter en er sprake is van 15 centimeter hefinrichting aan beide zijden, behoeft de rijdam zelf niet exact 3.60 meter breed te zijn, maar moet deze zo breed zijn dat dergelijke voertuigen er ongehinderd over kunnen gaan. Dat betekent dus ook dat aan de zijkanten van de rijdam voldoende ruimte moet zijn voor een voertuig van 3.00 meter breed met aan beide zijden 15 centimeter hefinrichting om te rijden en te manoeuvreren. Gegeven de manoeuvreerruimte van 15 centimeter aan beide zijden, die de deskundige heeft aangegeven en die de rechtbank heeft overgenomen, zal de breedte
boven de rijdamter hoogte van de hefinrichting ook ongeveer 3.60 moeten zijn. Die exacte vereiste breedte hangt dus af van de afstand van de hefinrichting inclusief manoeuvreerruimte tot aan obstakels die zich langs de rijdam bevinden, zoals hekwerken, plantenbakken, houten schuttingen enz. Dit zal rond de 3.60 meter moeten zijn. Aldus begrijpt het hof de uitdrukking “
effectieve breedte”. Hiermee is ook in overeenstemming dat de doorgang door het hek 3.60 meter moet zijn. Niet heeft de rechtbank hiermee bedoeld dat partijen met een centimeter op de dam moeten gaan meten of de breedte ervan
over de grond gemetenoveral exact 3.60 meter is.
dusmet bredere apparaten – zoals kennelijk de litigieuze maiskneuzer – dan die met een breedte van 3.00 meter over de rijdam mag gaan.
veroordeelt gedaagden om (..) een weg (..) vrij te maken en vrij te houden des dat alle belemmeringen worden weggenomen en weggehoudenindien eiser van deze weg gebruik moet maken,”(onderstreping hof).
[schoonzoon van geïntimeerde](de rechtsvoorganger van [geïntimeerde] , hof)
(..) mag derhalve niet zijn auto op zodanige wijze op zijn erf parkeren dat [betrokkene](rechtsvoorganger van [appellante] , hof)
zijn erf niet kan bereiken”.