Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[de maatschap] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[vennoot 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[vennoot 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 1 mei 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;
- het proces-verbaal van pleidooi 27 november 2018;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- het bericht van partijen dat de zaak niet was geschikt en waarbij zij arrest vragen.
6.De beoordeling
Als ik van te voren had geweten dat er wiet geplaatst werd had ik aan de verhuur nooit begonnen. Ik voel mij er dus op geen enkele manier verantwoordelijk voor ook al was er sprake van onderverhuur wat contractueel niet mag.” (prod. 4 cva)
Hierbij stel ik u[aansprakelijk]
voor de door ons geleden en te lijden schade als gevolg van dat u onze belangen niet, althans onvoldoende hebt behartigd. Op 20 juli 2009 heb ik opdracht gegeven de door ons geleden schade te verhalen op de veroorzaker van de brand in ons pand (..)
zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.”. De consequentie hiervan is, dat [appellant 2] ook geen partij meer was in de procedure in eerste aanleg. Ten onrechte heeft de rechtbank vervolgens [appellant 2] (met [appellante 1] ) wel veroordeeld in de proceskosten.
[appellante 1] heeft zich (..) tot [vennoot 1]gewend en opdracht gegeven de ten gevolge van de brand geleden en/of nog te lijden schade te verhalen.” Hiermee is de rechtbank uitgegaan van een ruimere opdracht door [appellante 1] aan [vennoot 1] / [geintimeerden c.s.] dan was verwoord door [appellant 2] in zijn hiervoor genoemde aansprakelijkheidsstelling, die spreekt van het geven van opdracht om de schade te verhalen op de veroorzaker van de brand.
Nu blijkt dat [onderverhuurder] daar wiet kweekt (..)”)( prod. 12 [appellante 1] );
in de nacht van zaterdag op zondag is er brand uitgebroken in een pand aan de [adres 1] te [plaats 1] , de benedenverdieping was een garage gevestigd en op de bovenverdieping werdt een kwekerij aangetroffen. De kwekerij is na het blussen gelijk geruimd en het pand is deels gesloopt.” (prod. 5 cvp);
Hennepkwekerij”, vermeldt in de toelichting onder meer: “
Tp gegaan met de bikers van T&H [plaats 1] ivm een kwekerij. Deze kwekerij aan de [adres 1] stond in de hens. Betrof een kwekerij met ongeveer 150 planten. (..) De kwekerij zat in een bovengedeelte van een garage. (..)” (prod. 8 [appellante 1] ).
Zoals aangegeven was ik en nog meerdere bewoners van dit complex thuis ten tijde van de brand. Voornamelijk na het instorten van het dak waren de resten van een wietkwekerij duidelijk zichtbaar. Daarnaast gaf een van de brandweerlieden aan dat dit hoogstwaarschijnlijk de oorzaak was van het ontstaan van de brand." (prod. 10 [appellante 1] ).
In de vroege ochtend van 12 juli 2009 ben ik door de politie opgeroepen om mijn schoonmoeder, die toen woonde aan de [adres 1] te [plaats 1] , op te vangen. Er was brand ontstaan in de naastgelegen garage. Op locatie aangekomen werd door de brandweer en politie als oorzaak een elektrische brand als gevolg van een hennepkwekerij aangegeven (..)” (prod. 11 [appellante 1] ).
planten stonden in het pand [adres 1] wat nu nog steeds afgebrand staat
Nav ons telefoongesprek van zojuist hieronder de gegevens voor zover bij ons bekend:
Hierdoor heeft de brand in het pand aan [adres 1] kunnen ontstaan. Stelselmatige overbelasting en het vele in en uitschakelen van de installatie heeft er toe geleid dat de brand heeft kunnen ontstaan” (prod. 22 [appellante 1] ).
Als ik van te voren had geweten dat er wiet geplaatst werd had ik aan de verhuur nooit begonnen”) nog effect zou hebben gesorteerd. Mogelijk zou [huurder] met succes [onderverhuurder] in vrijwaring hebben kunnen oproepen en/of zou [appellante 1] in die procedure hebben moeten bewijzen dat de schade was ontstaan door een toerekenbare tekortkoming van [huurder] .
[persoon]”), en dat hen bekend was dat procedures enige jaren kunnen duren. Daarnaast stelt zij dat [appellant 2] en zij niet alleen per e-mail, maar ook telefonisch contact hebben gehad met [vennoot 1] , en dat hij hen vertelde dat alles wel goed zou komen. Tenslotte heeft [appellante 1] erop gewezen dat [appellant 2] en zij niet juridisch onderlegd zijn (daarvoor hadden zij nu juist [vennoot 1] in de arm genomen).
Heeft u nog nagekeken of dat met dat beslag op dat huis van [onderverhuurder] wel goed zat het verhaal doet namelijk de ronde dat het te koop staat (..) Is er al iets van een datum bekent voor de rechtbank”. Op 6 augustus 2012 schreef [appellant 2] bijvoorbeeld aan [vennoot 1] : “
Wanneer was die datum van die behandeling van [onderverhuurder](..)”. Op 19 januari 2013 schreef [appellant 2] “
hierbij het gevraagde mail adres voor het doorsturen van gegevens ivm lopend dossier”. Op 18 augustus 2013 stuurde [appellant 2] (vanaf een ander e-mailadres dan daarvoor) een overzicht van de schade die geleden is door de brand, met daarbij de opmerking: “
Het heeft even geduurd maar hierbij het overzicht Graag alleen maar via deze email reageren (..) bevestig ontvangst even” (met telefoonnummer).
Wanneer was die behandeling van [onderverhuurder]”), maakt nog niet dat aan [appellante 1] enig stilzitten in die periode verweten kan worden. [appellante 1] heeft onbetwist gesteld dat haar bekend was dat rechtszaken lang duren (een feit dat ook het hof goed bekend is) en dat [vennoot 1] in het verleden altijd goed voor haar had gewerkt, zodat zij hem vertrouwde op dat punt. De e-mails waarmee [appellant 2] herinneringen aan [vennoot 1] stuurde, (met name die van 19 januari 2013), bevestigen de stelling van [appellante 1] dat er in ieder geval in de periode 2012-2013 tussen [appellant 2] en [vennoot 1] telefonisch contact is geweest, en dat er aan [appellant 2] informatie is verstrekt, over onder meer een (zogenaamd) geplande behandeling van de zaak bij de rechtbank, en dat [vennoot 1] om nadere informatie aan [appellant 2] had gevraagd. Dat laatste is door [vennoot 1] tijdens het pleidooi bij het hof ook erkend. Nadat hij de schadeonderbouwing van [appellant 2] had ontvangen is het stil komen te liggen, zo vertelde [vennoot 1] toen. Hij heeft het hof ook verteld dat hij op een gegeven moment in een situatie was beland dat hij niet meer in staat was om te werken, en dat er daarom wat dingen zijn blijven liggen: “
Niemand heeft dat overgenomen, ook dat is blijven liggen.”. [vennoot 1] voegde daar aan toe dat in zijn herinnering er regelmatig contact is geweest met [appellante 1] / [appellant 2] , maar dat hij toen niet heeft gezegd dat hij niet in staat was om te werken: “
Ik wist dat zelf toen nog niet eens.”
Dit rapport is natte vinger werk maar dat kan ook niet anders als je maar max 5 min op lokatie bent en geen kennis van history hebt dan is het moeilijk vast te stellen wat de schade is. Deze taxatie is verre van reele schade het lijkt eigenlijk nergens op.” (prod. 29 [appellante 1] ). Bij pleidooi heeft [appellante 1] verder nog aangevoerd dat Context van gedateerde prijzen uitgaat.
7.De uitspraak
€ 130.587,92na 1 mei 2019 te vermeerderen met € 550,= per maand dat het pand (nog) niet is herbouwd, tot uiterlijk 1 september 2019;