Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.”.De consequentie hiervan is, dat [betrokkene 4] ook geen partij meer was in de procedure in eerste aanleg. Ten onrechte heeft de rechtbank vervolgens [betrokkene 4] (met [verweerster] ) wel veroordeeld in de proceskosten. Het door [betrokkene 4] ingestelde hoger beroep kan daarom dus ook alleen maar betrekking hebben op deze proceskostenveroordeling. Terecht wijzen [verweerster] c.s. daar op in de toelichting op grief VI die ziet op de proceskostenveroordeling. Het vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd en de vordering tot veroordeling van [betrokkene 4] in de proceskosten van de eerste aanleg zal alsnog worden afgewezen. In hoger beroep heeft [betrokkene 4] geen extra kosten behoeven te maken, zodat het hof zijn kosten op nihil zal begroten.”
ook[betrokkene 1] moest aanspreken, althans dat hij daarover moest adviseren. Dit oordeel heeft het hof als volgt verwoord:
“ [verweerster] heeft zich (...) tot [eiser 2]gewend en opdracht gegeven de ten gevolge van de brand geleden en/of nog te lijden schade te verhalen.” Hiermee is de rechtbank uitgegaan van een ruimere opdracht door [verweerster] aan [eiser 2] / [eisers] dan was verwoord door [betrokkene 4] in zijn hiervoor genoemde aansprakelijkheidsstelling, die spreekt van het geven van opdracht om de schade te verhalen op de veroorzaker van de brand. Tegen deze vaststelling door de rechtbank is door [eisers] niet gegriefd. Uit hun verweer tegen de vermeerderde grondslag van de vordering van [verweerster] blijkt evenwel duidelijk dat zij het niet eens zijn met de uitleg dat aan hen/ [eiser 2] een opdracht zou zijn gegeven, die ook het aanspreken van [betrokkene 1] inhield. [verweerster] heeft dit ook aldus begrepen.”
(“Nu blijkt dat [betrokkene 2] daar wiet kweekt (..)”) (prod. 12 [verweerster] );
“in de nacht van zaterdag op zondag is er brand uitgebroken in een pand aan de [a-straat] te [plaats] , de benedenverdieping was een garage gevestigd en op de bovenverdieping werdt een kwekerij aangetroffen. De kwekerij is na het blussen gelijk geruimd en het pand is deels gesloopt.'’'’(prod. 5 cvp);
Hennepkwekerij”, vermeldt in de toelichting onder meer:
“Tp gegaan met de bikers van T&H Rsd ivm een kwekerij. Deze kwekerij aan de [a-straat] 1M stond in de hens. Betrof een kwekerij met ongeveer 150 planten. (..) De kwekerij zat in een bovengedeelte van een garage. (..)”(prod. 8 [verweerster] ).
“Zoals aangegeven was ik en nog meerdere bewoners van dit complex thuis ten tijde van de brand. Voornamelijk na het instorten van het dak waren de resten van een wietkwekerij duidelijk zichtbaar. Daarnaast gaf een van de brandweerlieden aan dat dit hoogstwaarschijnlijk de oorzaak was van het ontstaan van de brand"(prod. 10 [verweerster] ).
“In de vroege ochtend van 12 juli 2009 ben ik door de politie opgeroepen om mijn schoonmoeder, die toen woonde aan de [a-straat] te [plaats] , op te vangen. Er was brand ontstaan in de naastgelegen garage. Op locatie aangekomen werd door de brandweer en politie als oorzaak een elektrische brand als gevolg van een hennepkwekerij aangegeven (..)”(prod. 11 [verweerster] ).
“planten stonden in het pand de badhuistraat wat nu nog steeds afgebrand staat
“Nav ons telefoongesprek van zojuist hieronder de gegevens voor zover bij ons bekend:
Hierdoor heeft de brand in het pand aan de [a-straat] kunnen ontstaan. Stelselmatige overbelasting en het vele in en uitschakelen van de installatie heeft er toe geleid dat de brand heeft kunnen ontstaan”(prod. 22 [verweerster] ).”
“Als ik van tevoren had geweten dat er wiet geplaatst werd had ik aan de verhuur nooit begonnen")nog effect zou hebben gesorteerd. Mogelijk zou [betrokkene 1] met succes [betrokkene 2] in vrijwaring hebben kunnen oproepen en/of zou [verweerster] in die procedure hebben moeten bewijzen dat de schade was ontstaan door een toerekenbare tekortkoming van [betrokkene 1] .
“ [betrokkene 12] ”),en dat hen bekend was dat procedures enige jaren kunnen duren. Daarnaast stelt zij dat [betrokkene 4] en zij niet alleen per e-mail, maar ook telefonisch contact hebben gehad met [eiser 2] , en dat hij hen vertelde dat alles wel goed zou komen. Tenslotte heeft [verweerster] erop gewezen dat [betrokkene 4] en zij niet juridisch onderlegd zijn (daarvoor hadden zij nu juist [eiser 2] in de arm genomen).
Heeft u nog nagekeken of dat met dat beslag op dat huis van [betrokkene 2] wel goed zat het verhaal doet namelijk de ronde dat het te koop staat (..) Is er al iets van een datum bekent voor de rechtbank".Op 6 augustus 2012 schreef [betrokkene 4] bijvoorbeeld aan [eiser 2] : “
Wanneer was die datum van die behandeling van [betrokkene 2](..)”. Op 19 januari 2013 schreef [betrokkene 4] “
hierbij het gevraagde mail adres voor het doorsturen van gegevens ivm lopend dossier”.Op 18 augustus 2013 stuurde [betrokkene 4] (vanaf een ander e-mailadres dan daarvoor) een overzicht van de schade die geleden is door de brand, met daarbij de opmerking: “
Het heeft even geduurd maar hierbij het overzicht Graag alleen maar via deze email reageren (..) bevestig ontvangst even” (met telefoonnummer).
Wanneer was die behandeling van [betrokkene 2] ”),maakt nog niet dat aan [verweerster] enig stilzitten in die periode verweten kan worden. [verweerster] heeft onbetwist gesteld dat haar bekend was dat rechtszaken lang duren (een feit dat ook het hof goed bekend is) en dat [eiser 2] in het verleden altijd goed voor haar had gewerkt, zodat zij hem vertrouwde op dat punt. De e-mails waarmee [betrokkene 4] herinneringen aan [eiser 2] stuurde, (met name die van 19 januari 2013), bevestigen de stelling van [verweerster] dat er in ieder geval in de periode 2012-2013 tussen [betrokkene 4] en [eiser 2] telefonisch contact is geweest, en dat er aan [betrokkene 4] informatie is verstrekt, over onder meer een (zogenaamd) geplande behandeling van de zaak bij de rechtbank, en dat [eiser 2] om nadere informatie aan [betrokkene 4] had gevraagd. Dat laatste is door [eiser 2] tijdens het pleidooi bij het hof ook erkend. Nadat hij de schadeonderbouwing van [betrokkene 4] had ontvangen is het stil komen te liggen, zo vertelde [eiser 2] toen. Hij heeft het hof ook verteld dat hij op een gegeven moment in een situatie was beland dat hij niet meer in staat was om te werken, en dat er daarom wat dingen zijn blijven liggen: “
Niemand heeft dat overgenomen, ook dat is blijven liggen.”.[eiser 2] voegde daar aan toe dat in zijn herinnering er regelmatig contact is geweest met [verweerster] / [betrokkene 4] , maar dat hij toen niet heeft gezegd dat hij niet in staat was om te werken: “
Ik wist dat zelf toen nog niet eens.”
“Dit rapport is natte vinger werk maar dat kan ook niet anders als je maar max 5 min op lokatie bent en geen kennis van history hebt dan is het moeilijk vast te stellen wat de schade is. Deze taxatie is verre van reele schade het lijkt eigenlijk nergens op."(prod. 29 [verweerster] ). Bij pleidooi heeft [verweerster] verder nog aangevoerd dat Context van gedateerde prijzen uitgaat.”
ex aequo et bonolaten volgen:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste plaatsis dat de bewijslastverdeling door het hof in rov. 6.8.2. ter zake van het verweer van [eisers] dat een veroordeling van [betrokkene 2] onverhaalbaar zou zijn gebleken (onderdeel 1 en subonderdeel 2.3). Het hof heeft dit verweer als een zelfstandig verweer gekwalificeerd, terwijl volgens [eisers] juist sprake is van een betwisting van de stelling van [verweerster] dat zij in de hypothetische situatie dat de beroepsfout niet was gemaakt, ten belope van het gevorderde bedrag beter af zou zijn geweest dan in de feitelijke situatie dat van een beroepsfout wel sprake is; op dit punt ligt de stelplicht ook bij [verweerster] . In de
tweede plaatswordt de door het hof toegewezen vergoeding terzake van huurderving in rov. 6.11.1. e.v. bestreden (onderdeel 2). In subonderdeel 2.5 wordt daarbij overigens ook een vergelijkbare kwestie aan de orde gesteld als onderdeel 1 doet (zelfstandig verweer of betwisting?), zij het dan in verband met het betoog van [eisers] dat De Raad met een bankfinanciering al (veel) eerder tot herbouw had kunnen overgaan.
gestelden die zijn komen vast te staan hetzij vanwege
onvoldoende betwistingdaarvan door de wederpartij hetzij door
bewijsleveringvan de partij op wie de bewijslast rust. Terwijl art. 149 lid 1 Rv Pro de feitelijke grondslag van de rechterlijke beslissing als onderwerp heeft, ziet art. 150 Rv Pro op de vraag wie tot bewijslevering kan worden toegelaten. Anders gezegd: op wie rust de stelplicht en de bewijslast?
gesteldefeiten of rechten die aan een bepaald rechtsgevolg ten grondslag wordt gelegd. Aan de (eventuele) bewijslevering gaat de stelplicht vooraf. [9] De stelplicht heeft, zo blijkt ook uit art. 150 Rv Pro, (enkel) betrekking op feiten of rechten waaraan een door de betrokken partij beoogd rechtsgevolg is verbonden dat weer voortvloeit uit een (geschreven of ongeschreven) rechtsregel. [10] De (omvang van de) stelplicht wordt dus bepaald door het beoogde rechtsgevolg dat op een rechtsregel is gebaseerd. Vordert eiser bijvoorbeeld schadevergoeding op grond van art. 6:162 BW Pro, dan moet hij die feiten stellen waaruit volgt dat aan alle in die bepaling genoemde vereisten voor aansprakelijkheid (toerekenbare onrechtmatige daad, schade en causaal verband) is voldaan. [11] Die stellingen moeten dan wel gemotiveerd en zo concreet mogelijk zijn. [12] Voldoet een partij niet aan haar stelplicht, dan wordt zij niet toegelaten tot bewijslevering. [13]
OZ Export Planten BV/Roozen Holland [18] waarin tegenbewijs in hoger beroep centraal stond; om toegelaten te kunnen worden tot tegenbewijs is het nodig dat de betwisting van de wederpartij, zeker in hoger beroep, voldoende concreet is. Of dat het geval is, hangt echter ook af van hetgeen in de procedure al is gewisseld: [19]
gestelden vervolgens ook in voldoende mate door de wederpartij zijn
betwist. Dan ligt het op de weg van de eerstgenoemde partij om die door haar gestelde feiten waaraan een rechtsgevolg is verbonden, te bewijzen. Bewijslast gaat vervolgens altijd gepaard met bewijsrisico: wanneer de partij op wie de bewijslast rust niet slaagt in dat bewijs, komen de door die partij gestelde feiten niet vast te staan, zodat het gevorderde moet worden afgewezen (of wanneer het om een door haar gevoerd zelfstandig verweer ging (hierna randnummers 3.10-3.11) dat dat verweer moet worden verworpen). [20]
een bevrijdende omstandigheidberoept. [21]
in concretoniet op kan gaan.
[.../...]): geconfronteerd met een vordering van de verkoper tot het verlenen van de benodigde medewerking aan de levering van de onroerende zaken, stelt koper dat partijen in de koopovereenkomst een financieringsvoorbehoud waren aangegaan en dat deze ontbindende voorwaarde is vervuld met als gevolg dat de koopovereenkomst is ontbonden. Dit verweer houdt enerzijds een erkenning in van het bestaan van een koopovereenkomst en de daaruit normaal gesproken voortvloeiende verplichting om aan de levering mee te werken, maar tegelijkertijd houdt het een beroep op een bevrijdende omstandigheid in (in dit geval het financieringsvoorbehoud) op grond waarvan het door de verkoper beoogde rechtsgevolg toch niet op zou kunnen gaan. Het verweer is dus een zelfstandig verweer; koper dient zowel het bestaan van de ontbindende voorwaarde als het in vervulling gaan ervan (wegens voldoende betwisting daarvan door de verkoper) te bewijzen (rov. 4.5.2). [26]
RvdW2009/1006 (
A.C.S. Holding BV/H.T.C. International BV): A.C.S. Holding BV verweert zich tegen een vordering van H.T.C. International BV met de stelling dat de verplichting tot betaling van de door H.T.C. International BV gevorderde bedragen inmiddels teniet is gegaan vanwege een schikking. Dit verweer is dus een zelfstandig verweer; het verweer houdt immers enerzijds erkenning in van het uitgangspunt dat zij een betalingsverplichting heeft, maar anderzijds ook een beroep op een bevrijdende omstandigheid: tenietgaan van die betalingsverplichting door de schikking. A.C.S. Holding BV dient die schikking te bewijzen nu deze voldoende gemotiveerd is betwist door H.T.C. International BV (rov. 3.3).
NJ2009/599 (
[.../...]): het verweer van huurder dat hij de door verhuurder gevorderde huurtermijnen al heeft betaald, is opnieuw een zelfstandig verweer; aan de ene kant erkent huurder immers het bestaan van een huurovereenkomst en de verschuldigdheid van huurpenningen maar aan de andere kant doet hij een beroep op een zelfstandig rechtsgevolg (namelijk: betalingen) waardoor het door verhuurder ingeroepen rechtsgevolg toch niet op kan gaan. Huurder dient de betalingen, nu deze voldoende betwist zijn door de verhuurder, te bewijzen (rov. 3.4.2).
RvdW2013/1254 (
Farmerhoeve BV): de erfgenamen van een exploitant van een sperma-winstation voor hengsten worden geconfronteerd met een vordering van Farmerhoeve tot terugbetaling van de volgens haar ten onrechte door de exploitant aan derden verleende kortingen; Farmerhoeve en de exploitant waren die kortingen volgens Farmerhoeve niet overeengekomen. Het verweer van de erfgenamen houdt in dat die kortingen desondanks in overleg met c.q. in opdracht van Farmerhoeve waren verleend. Volgens Uw Raad is hier sprake van een zelfstandig verweer: het is aan de erfgenamen om het gestelde overleg c.q. de gestelde opdracht te bewijzen (vanwege gemotiveerde betwisting daarvan door Farmerhoeve) (rov. 3.3.4). Op deze zaak kom ik in randnummer 3.14 nog terug.
RvdW2017/372: aangesproken op grond van wanprestatie stelt een aannemer dat hij op grond van telefonische mededelingen van de door opdrachtgever ingeschakelde projectmanager en architect mocht aannemen dat de tekeningen voor de kelder door de constructeur waren goedgekeurd (hoewel in werkelijkheid een dergelijke goedkeuring ontbrak). Dit verweer is als een zelfstandig verweer gekwalificeerd; de aannemer erkent immers dat normaal gesproken wanprestatie aan de orde zou zijn, ware het niet dat hij er gelet op mededelingen namens de opdrachtgever vanuit mocht gaan dat er een goedkeuring lag. Dit is dus een beroep op een zelfstandig rechtsgevolg waardoor het uitgangspunt in concreto toch niet opgaat. Het is aan de aannemer om de mededelingen bewijzen, omdat de opdrachtgever deze gemotiveerd heeft betwist (rov. 4.1.2).
RvdW2017/1063 (
Marble House BV/Cimba Management Ltd.): geconfronteerd met een ontruimingsvordering van Marble House BV betoogt Cimba Management Ltd. dat Marble House BV weliswaar de rechthebbende is van de bedrijfsruimte die zij in gebruik heeft, maar dat het gebruik van die bedrijfsruimte was gebaseerd op een huurovereenkomst. Volgens Cimba Management Ltd. staat het adagium ‘koop breekt geen huur’ dan ook aan ontruiming in de weg. Volgens Uw Raad heeft het hof met juistheid geoordeeld dat op Cimba Management Ltd. de stelplicht en bewijslast rust van de feiten die aan het voornoemde verweer ten grondslag liggen (rov. 3.3.2). [27] Ook hier gaat het dus om een zelfstandig verweer; enerzijds wordt erkend dat Marble House BV rechthebbende is van de bedrijfsruimte, maar anderzijds wordt een beroep gedaan op een zelfstandig rechtsgevolg (namelijk: exclusief gebruiksrecht op grond van een huurovereenkomst en het daaraan gekoppelde adagium ‘koop breekt geen huur’) waardoor het op het uitgangspunt (rechthebbende van de bedrijfsruimte) te baseren rechtsgevolg (ontruiming) toch niet opgaat.
Farmerhoeve-zaak [31] , omdat het daar gevoerde verweer op de grens lag tussen een gewone betwisting en een zelfstandig verweer. In deze zaak zijn de erfgenamen van de exploitant van een sperma-winstation voor hengsten die in dat kader met Farmerhoeve een exploitatieovereenkomst was aangegaan, door Farmerhoeve in rechte betrokken vanwege door de exploitant aan derden verleende kortingen op het dekgeld. Volgens Farmerhoeve bood de exploitatieovereenkomst geen ruimte om kortingen te verlenen. De erfgenamen hebben zich tegen die vordering tot terugbetaling van de verleende kortingen verweerd door te stellen dat de kortingen in overleg met c.q. zelfs in opdracht van Farmerhoeve waren geschied. Dit lijkt op het eerste gezicht een ‘nee, want-verweer’, omdat de erfgenamen daarmee in feite de verschuldigdheid van de terugbetalingsvordering betwisten. Het hof heeft vastgesteld dat de exploitatieovereenkomst geen bepalingen over het verlenen van kortingen bevat (ook geen verbod). Volgens het hof brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt mee dat het verlenen van kortingen aan een merriehouder alleen mogelijk is in onderling overleg tussen Farmerhoeve en exploitant. Deze vaststelling en uitleg van de exploitatieovereenkomst door het hof is in cassatie niet bestreden. Uw Raad oordeelde dat het verweer, gegeven genoemde vaststelling en uitleg door het hof, als een zelfstandig verweer moet worden aangemerkt zodat op de erfgenamen ingevolge art. 150 Rv Pro de bewijslast rust van hun stelling dat de aan derden verleende kortingen op het volgens de exploitatieovereenkomst verschuldigde dekgeld, strookten met hetgeen tussen exploitant en Farmerhoeve was overeengekomen.
enerzijdsneer op de erkenning van de door Farmerhoeve gestelde feiten die normaal gesproken zouden leiden tot verschuldigdheid van de gevorderde bedragen: partijen waren in de exploitatieovereenkomst inderdaad niet overeengekomen dat het verlenen van kortingen was toegestaan (zie randnummer 3.12).
Anderzijdsbouwden de erfgenamen voort op de uitleg die het hof aan de exploitatieovereenkomst had gegeven als gevolg waarvan het door Farmerhoeve beoogde rechtsgevolg (terugbetalingsvordering ter zake van de verleende kortingen) niet meer kon opgaan (zie randnummer 3.14), een beroep op een zelfstandig rechtsgevolg dus: de kortingen waren in overleg met (of zelfs in opdracht van) Farmerhoeve verleend. Zo valt de conclusie te trekken dat in de Farmerhoeve-zaak inderdaad geen sprake was van een ‘gewone’ betwisting (een ‘nee, want’-verweer), maar van een zelfstandig verweer (een ‘ja, maar’-verweer).
[.../...], aan de orde gesteld. [34] [verweerster] zoekt daarbij aansluiting, omdat het arrest volgens haar steun biedt voor de conclusie dat ook het onderhavige onverhaalbaarheidsverweer van [eisers] een zelfstandig verweer is, terwijl [eisers] dat, kort gezegd, bestrijden. Ik merk hierover het volgende op.
[.../...] -arrest heeft Uw Raad daaraan cruciale overwegingen gewijd.
[.../...]-arrest een vreemde eend in de bijt dat alleen met kunst- en vliegwerk valt in te passen in de andere jurisprudentie van Uw Raad met betrekking tot zelfstandige verweren. [40] In plaats van een bevrijdend verweer is hier wat mij betreft gewoon van een betwisting sprake (randnummer 3.13). Hoewel dit [verweerster] in dit kader goed zou uitkomen, moet aan het
[.../...]-arrest echter niet de conclusie worden verbonden dat (het een aanwijzing oplevert voor de conclusie dat) het in casu door [eisers] gevoerde verweer een bevrijdend verweer is. In de opvatting van Uw Raad ontbreekt hier nu juist de specifieke context van art. 3:70 BW Pro die tot het aannemen van een bevrijdend verweer noopt en in mijn opvatting zou ook bij toepassing van art. 3:70 BW Pro van een betwisting sprake zijn en niet van een bevrijdend verweer.
[.../...]-zaak zijn daar een goed voorbeeld van, het soms lastig uit te maken of sprake is van een zelfstandig verweer (‘ja, maar’-verweer) dan wel van een betwisting (‘nee, want’-verweer), terwijl dat vanuit bewijsrechtelijk perspectief juist wel een cruciaal onderscheid is. Bij de beantwoording van de vraag op welke partij ter zake van welke feiten de bewijslast rust, is het dan ook goed om eerst te bepalen welk rechtsgevolg op grond van welke rechtsregel door welke partij wordt ingeroepen. [41] De eiser zal vaak degene zijn die stelplicht en bewijslast (en bewijsrisico) draagt van het door hem ingeroepen rechtsgevolg. Als de wederpartij een bepaald verweer heeft gevoerd, kan aan de hand van de kenmerken die in randnummer 3.10 zijn aangeduid, worden bepaald of het gaat om een zelfstandig verweer of om een gewone betwisting. Dit systeem kan als volgt worden samengevat:
[.../...]-arrest betreft. Wat mij betreft is het ongelukkig dat Uw Raad bij causaliteitsverweren van het type ‘ook bij een toereikende volmacht zou u deze schade hebben geleden’ zo’n scherp onderscheid maakt tussen art. 3:70 BW Pro en andere aansprakelijkheidsgronden, kennelijk omdat de inhoud, de strekking en het uitgangspunt van art. 3:70 BW Pro niet vergelijkbaar is met die andere wettelijke aansprakelijkheidsgronden. Hier is steeds van een betwisting sprake en niet van een zelfstandig verweer. Ook wanneer we meegaan in de opvatting van Uw Raad levert de afwijking in het kader van art. 3:70 BW Pro (anders dan bij de andere aansprakelijkheidsgronden is bij art. 3:70 BW Pro wel sprake van een zelfstandig verweer) wat mij betreft geen indicatie op dat hetzelfde moet worden geoordeeld ten aanzien van het onderhavige onverhaalbaarheidsverweer. De door Uw Raad benadrukte specifieke art. 3:70 BW Pro-context ontbreekt immers, althans de door [verweerster] in haar schriftelijke toelichting geconstateerde parallellen zijn onvoldoende overtuigend. [verweerster] heeft de beroepsaansprakelijkheid van [eisers] gebaseerd op art. 6:74 BW Pro (wanprestatie) dan wel art. 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad). Dat betekent dat zij alle feiten moet stellen en, bij betwisting, bewijzen waaruit volgt dat aan alle wettelijke vereisten voor de aansprakelijkheid op grond van genoemde wetsbepalingen is voldaan (randnummer 3.5). Het verweer van [eisers] dat een veroordeling van [betrokkene 2] onverhaalbaar zou zijn geweest, is een betwisting van één van die door [verweerster] gestelde vereisten (hier: dat sprake is van schade).
subonderdeel 1.1faalt wegens gebrek aan belang.
ex aequo et bonodie het hof daarna verricht in rov. 6.9.1. e.v. Aan de slotzin in rov. 6.8.1. kan men in ieder geval niet de conclusie verbinden dat het hof de schade van [verweerster] heeft begroot en nog minder dat bij de schadebegroting van eventuele onverhaalbaarheid zou moeten worden geabstraheerd.
subonderdeel 1.2faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.3.
Subonderdeel 2.1faalt derhalve.
subonderdeel 2.2klagen [eisers] dat het hof niet of ontoereikend heeft gerespondeerd op hun essentieel verweer dat [betrokkene 2] slechts veroordeeld zou zijn om de gederfde huurinkomsten gedurende de tijd die noodzakelijk is voor de sloop en herbouw (een paar maanden tot een half jaar) te vergoeden. [eisers] verwijzen daartoe naar hun memorie van antwoord (randnummers 110.-122.). Voor zover het hof dat verweer wel heeft verworpen, heeft het hof volgens [eisers] niet gemotiveerd waarom [betrokkene 2] veroordeeld zou worden tot betaling van gederfde huurinkomsten gedurende een langere tijd dan die noodzakelijk is voor de sloop en de herbouw. Deze klachten falen om de navolgende redenen.
voor de periode dat het pand nog niet zou zijn herbouwd. Anders dan subonderdeel 2.2 suggereert, heeft het hof dus niet geoordeeld dat [betrokkene 2] over een langere periode dan die noodzakelijk is voor de sloop en herbouw zou worden veroordeeld tot betaling van gederfde huurinkomsten.
subonderdeel 2.2.
subonderdeel 2.3klagen [eisers] dat voor zover de toewijzing van de gederfde huurinkomsten gebaseerd is op de in onderdeel 2.1 genoemde b-grond, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en ontoereikend gemotiveerd is. Volgens [eisers] miskent het hof daarmee namelijk dat het verweer van [eisers] dat [betrokkene 2] niet zou hebben betaald, een betwisting is en geen zelfstandig verweer; op [verweerster] rust de stelplicht en bewijslast dat [betrokkene 2] wel zou hebben betaald en dat hij dat ook dadelijk zou hebben gedaan, zodat de sloop en de herbouw vrijwel dadelijk had kunnen plaatsvinden en het pand spoedig huurinkomsten had kunnen generen, aldus nog steeds [eisers] Deze klacht faalt om de navolgende redenen.
subonderdeel 2.3.
desondanksde sloop en de herbouw van het pand op andere wijze had kunnen financieren. Vlak daarvoor heeft het hof de betwisting van [verweerster] ten pleidooie weergegeven. [verweerster] zou tijdens het pleidooi (kennelijk) [52] hebben aangevoerd dat zij een boerderij had gekocht die zij rond die tijd aan het verbouwen was en dat zij een kind had gekregen, waardoor zij geen financiële middelen had om het pand te slopen en te herbouwen. Dit is meer dan een blote ontkenning van de voornoemde stelling van [eisers] Daarmee lag, zo heeft het hof kennelijk geoordeeld, in beginsel de bal weer bij [eisers] ; zij moesten hun stelling dat [verweerster] een bankfinanciering had kunnen aangaan, concretiseren. De vraag die dan meteen opkomt, is hoe [eisers] dat hadden kunnen doen. [verweerster] is immers de enige die openheid van zaken kan geven over haar financiële positie. De stelplicht van [eisers] heeft in die zin betrekking op omstandigheden die volledig in de sfeer van [verweerster] liggen. Daarmee was het voor [eisers] eigenlijk feitelijk onmogelijk om aan hun stelplicht te voldoen.
Dexia/ [...] [53] kan daarvoor de nodige inspiratie bieden. In die zaak draaide het om de vraag of en zo ja wanneer de echtgenote van [...] op de hoogte was van het bestaan van een effectenlease-overeenkomst met Dexia. De subjectieve bekendheid van de echtgenote was nodig om het beroep op verjaring door Dexia van de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote (ex art. 1:89 juncto Pro 3:52 lid 1, onder d, BW) te kunnen staven. Uw Raad heeft in deze zaak de zogenoemde domeinleer op het stelplichtniveau toegepast: welke eisen aan de stelplicht verbonden worden, is dan mede afhankelijk van de vraag in wiens sfeer de betreffende informatie zich bevindt. [54] In het
Dexia/ [...]-arrest heeft Uw Raad aanvaard dat er lichtere eisen aan de stelplicht kunnen worden gesteld omdat Dexia de feiten die nodig zijn om het rechtsgevolg in te roepen, niet nader kon onderbouwen nu deze zich geheel in de sfeer van [...] en diens echtgenote hebben afgespeeld; die subjectieve bekendheid behoefde Dexia dan ook niet nader te concretiseren. De eisen van de goede procesorde brachten in dit geval met het oog op het, mede door art. 166 Rv Pro gewaarborgde, belang van de waarheidsvinding door het leveren van getuigenbewijs mee dat Dexia aan haar stelplicht had voldaan en niet tot een nadere een feitelijke onderbouwing van haar stellingen gehouden was (rov. 4.2.2). Ik licht dit kort toe.
verplichtom eiser toe te laten tot het leveren van het aangeboden getuigenbewijs, mits dat aanbod
ter zake dienenden
voldoende concreetis (de zogenoemde specificatie-eis). [55] Een verlichting van de stelplicht in dit soort gevallen, betekent dan ook meteen een verlichting van de eis uit art. 166 Rv Pro dat het getuigenbewijsaanbod voldoende concreet moet zijn (de specificatie-eis). Als de benodigde informatie zich niet in het domein van de eiser bevindt, maar in dat van de wederpartij, kan de eiser zowel zijn stelling als zijn getuigenbewijsaanbod niet concreet onderbouwen. Dat was namelijk ook het probleem van Dexia in het voornoemde arrest. Als de eisen die aan de stelplicht worden gesteld verlicht worden, wordt daarmee tegelijkertijd ook de specificatie-eis ex art. 166 Rv Pro minder streng. Dit komt uiteindelijk ook de waarheidsvinding ten goede, omdat de rechter zo eerder moet concluderen dat eiser aan zijn stelplicht heeft voldaan en daarmee eiser moet toelaten tot het leveren van het aangeboden getuigenbewijs.
Dexia/ [...]-arrest is positief ontvangen, juist ook omdat op de in het arrest centraal gestelde wijze tegenwicht kan worden geboden aan de neiging bij feitenrechters de zaak te snel af te doen op schending van de stelplicht. Aldus is het belang van de waarheidsvinding dat mede is gewaarborgd door art. 166 Rv Pro onder druk komen te staan. [56]
Subonderdeel 2.5treft dus doel.
subonderdeel 2.6stellen [eisers] aan de orde dat het hof heeft miskend dat niet alleen onredelijk, verwijtbaar gedrag van de schuldeiser tot een vermindering van de schadevergoedingsverplichting kan leiden, maar dat deze verplichting ook wordt verminderd als de schade mede het gevolg is van omstandigheden, die naar verkeersopvattingen tot zijn risicosfeer behoren. Volgens [eisers] heeft het hof bij de beoordeling van het beroep van [eisers] op de schadebeperkingsplicht doorslaggevend geacht of [verweerster] anders had kunnen en moeten handelen met het oog op de beperking van de schade, terwijl ook relevant is of de schade niet is verminderd vanwege omstandigheden die naar de in het verkeer geldende opvattingen tot de risicosfeer van [verweerster] behoren. Het hof had desnoods ambtshalve rechtsgronden aanvullend (art. 25 Rv Pro) moeten beoordelen of het, door [eisers] ingeroepen, te late herbouwen van het pand een omstandigheid is die naar de verkeersopvattingen tot de risicosfeer van [verweerster] behoort, aldus nog steeds [eisers] Daarnaast stellen [eisers] dat voor zover het hof van oordeel is dat deze omstandigheid niet tot de risicosfeer van [verweerster] behoort, het hof zijn oordeel niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Beide klachten falen om de navolgende redenen.
toegerekend. In dit verband moet de benadeelde aangerekend kunnen worden dat hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden met het oog op zijn eigen belang zou hebben gedaan. [59] Bij eigen schuld gaat het derhalve om een bijdrage aan de schade door het betrachten van onvoldoende zorg voor eigen persoon of goed waarvan niet de dader maar de benadeelde het risico draagt. Het woord ‘risico’ sluit daarbij in dat het niet enkel gaat om onzorgvuldig of onvoorzichtig gedrag van de benadeelde ten aanzien van het eigen belang, maar dat het ook kan gaan om omstandigheden die in zijn risicosfeer liggen (zoals handelen of nalaten van een door hem ingeschakelde persoon). [60] Hoewel de term ‘eigen schuld’ anders suggereert, is voor toerekening verwijtbaarheid geen vereiste. Is deze eerste hobbel van de toerekening aan de benadeelde genomen en is de schade mede een gevolg van deze aan hem toe te rekenen omstandigheden, dan wordt vervolgens aan de hand van de in het eerste lid van deze bepaling neergelegde verdelingsmaatstaven (causale verdeling en billijkheidscorrectie) bepaald of, en zo ja in hoeverre, de vergoedingsplicht van de aansprakelijke persoon wordt verminderd.
desondanksde sloop en de herbouw van het pand op andere wijze had kunnen financieren, zodat zij op die manier de schade door het niet kunnen verhuren van het pand had kunnen beperken. Alles bijeengenomen kan van dit oordeel moeilijk worden gezegd dat het hof enkel verwijtbaar gedrag in aanmerking heeft willen nemen en evenmin dat het hof ten onrechte geen toepassing aan art. 25 Rv Pro heeft gegeven.