ECLI:NL:GHSHE:2019:1343

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 april 2019
Publicatiedatum
9 april 2019
Zaaknummer
200.219.717_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over waardeverlies en taxatiekosten na ongeldige voertuigoverdracht

Deze zaak betreft een schadestaatprocedure voortvloeiend uit een eerdere uitspraak waarin de rechtbank oordeelde dat de verkoop en levering van twaalf voertuigen niet rechtsgeldig was. De rechtbank stelde vast dat appellante eigenaar bleef en veroordeelde geïntimeerden tot schadevergoeding, nader op te maken.

Appellante stelde een schadestaat op met posten voor opslag, transport, taxatiekosten en waardeverlies, gebaseerd op een taxatierapport van het NTAB. De rechtbank kende slechts een deel van de schade toe, verwierp het taxatierapport en maakte een onderscheid tussen duurdere en goedkopere voertuigen met verschillende afschrijvingspercentages.

In hoger beroep betwist appellante het oordeel over het taxatierapport, de afschrijving en de proceskostenverdeling. Geïntimeerden maken bezwaar tegen het onderscheid in afschrijving en wensen een uniform percentage van 8%. Het hof stelt appellante in de gelegenheid te reageren op het incidenteel appel van geïntimeerden en houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: Het hof houdt de verdere beslissing aan en verwijst de zaak voor memorie van antwoord in het incidenteel appel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.219.717/01
arrest van 9 april 2019
in de zaak van
[automobielmaatschappij] Automobielmaatschappij B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
verder: [appellante] ,
advocaat: mr. G. te Biesebeek te Helmond,
tegen

1.[de vennootschap] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2.
[geintimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
verder: gezamenlijk [geintimeerden c.s.] en afzonderlijk [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] ,
advocaat: mr. B.J. de Jong te Eindhoven,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 5 september 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer/rolnummer C/01/309114 / HA ZA 16-406 tussen partijen gewezen vonnis van 1 maart 2017.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 5 september 2017;
- de memorie van grieven van [appellante] van 5 december 2017 met producties;
- de memorie van antwoord van [geintimeerden c.s.] van 20 februari 2018.
Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 5 september 2017 en de stukken van de eerste aanleg.

6.De verdere beoordeling

6.1
Zoals in het vonnis van 1 maart 2017 onder 2.1 en 2.2 omschreven, betreft het nu voorliggende geschil een schadestaatprocedure, als vervolg op een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 februari 2015 (zaaknummer C/01/273197 / HA ZA 14-26). Daarin ging het om de vraag naar de rechtsgeldigheid van de verkoop en levering van twaalf voertuigen door een medewerker van [appellante] aan [geintimeerde 1] . De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een geldige overdracht en verklaarde op vordering van [appellante] voor recht dat [appellante] eigenaar is van de betreffende voertuigen. [geintimeerden c.s.] is door de rechtbank onder meer veroordeeld tot vergoeding aan [appellante] van de door haar als gevolg van de ongeldige overdracht geleden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 november 2013 tot aan de voldoening. Voorts is [geintimeerden c.s.] bij wege van voorlopige voorziening hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een voorschot aan [appellante] van € 48.500,=. Onderdeel van dit voorschot is een bedrag van € 12.850,= aan waardevermindering van acht in beslag genomen voertuigen.
Het vonnis van 25 februari 2015 is in kracht van gewijsde gegaan.
6.2
[appellante] heeft een schadestaat opgesteld die door de rechtbank als volgt is samengevat:
Kosten opslag, transport en vrijgave voertuigen € 11.606,98
Kosten taxatierapport € 782,=
Waardeverlies negen geretourneerde voertuigen:
Waarde bij ‘verkoop’ € 137.850,=
Taxatiewaarde na teruggave
€ 91.400,=-/-
€ 46.450,=
Voorschot
€ 12.850,=-/-
Totaal € 33.600,=
Kopieerkosten bewijsbeslag
€ 1.550,=
Totaal € 47.538,98
Voor de berekening van het waardeverlies van de negen voertuigen (acht in beslag genomen en een geretourneerd) heeft [appellante] zich gebaseerd op een taxatierapport van het Nederlands Taxatie & Adviesbureau (NTAB) van 31 maart 2015. Dit rapport gaat uit van het verschil in inruilwaarde van de voertuigen tussen het moment van de ongeldig verklaarde verkoop en dat van de terugkeer ervan. De kosten van dit rapport bedragen € 782,=.
6.3
[appellante] vordert op grond hiervan, samengevat, hoofdelijke veroordeling van [geintimeerden c.s.] tot betaling van het bedrag van € 47.538,98, met rente en kosten.
De post van € 11.606,98 is door [geintimeerden c.s.] niet betwist, de overige posten wel.
6.4
Bij tussenvonnis van 21 september 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 8 februari 2017 plaatsgevonden.
Bij eindvonnis van 1 maart 2017 heeft de rechtbank de volgende posten toegewezen:
Kosten opslag, transport en vrijgave voertuigen € 11.606,98
Restant waardeverlies voertuigen
€ 9.390,56
€ 20.997,54
Kopieerkosten bewijsbeslag
€ 1.550,=
€ 22.497,54
[geintimeerden c.s.] is hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 20.997,54 en [geintimeerde 1] afzonderlijk tot betaling van het bedrag van € 1.550,=, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 november 2013 tot aan de voldoening. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. Voor het overige is de vordering van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft bij de berekening van het waardeverlies het taxatierapport van NTAB niet tot uitgangspunt genomen en de kosten ervan daarom ook niet toewijsbaar geoordeeld. De rechtbank heeft een onderscheid gemaakt tussen enerzijds zes ‘goedkopere’ voertuigen waarvoor 8% afschrijving is gehanteerd, wat uitkomt op een bedrag van € 6.970,56, en anderzijds drie ‘duurdere’ voertuigen waarvoor de afschrijving ex aequo et bono is bepaald op € 15.000,=, in totaal € 21.970,56. Na aftrek van het eerder toegewezen voorschotbedrag van € 12.580,= levert dit het bedrag van € 9.390,56 op.
6.5
Met grief 1 komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het taxatierapport van NTAB niet het uitgangspunt kan vormen voor de berekening van de schade. Volgens [appellante] is de uitkomst van dat rapport in overeenstemming met de gegevens van de ANWB die bij deze memorie zijn gevoegd. Grief 2 betreft het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen ‘duurdere’ en ‘goedkopere’ voertuigen en de bepaling van het waardeverlies op € 21.970,56. Grief 3 betreft de afwijzing van de kosten van het taxatierapport en grief 4 de compensatie van de proceskosten. [appellante] concludeert tot het alsnog integraal toewijzen van haar vorderingen.
[geintimeerden c.s.] heeft de grieven van [appellante] bestreden, met dien verstande dat ook zij bezwaar maakt tegen het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen ‘duurdere’ en ‘goedkopere’ voertuigen. Volgens [geintimeerden c.s.] dient voor alle voertuigen hetzelfde afschrijvingspercentage van 8% gehanteerd te worden. Tegen de toewijzing van de posten van € 11.606,98 en € 1.550,= maakt [geintimeerden c.s.] geen bezwaar. Die twee posten zijn in dit hoger beroep verder niet aan de orde.
Het gaat in dit hoger beroep alleen om de posten waardeverlies en kosten taxatierapport, en de proceskosten.
6.6
Ten aanzien van de post waardeverlies, waar grief 2 van [appellante] betrekking op heeft, concludeert [geintimeerden c.s.] tot vernietiging van het eindvonnis van 1 maart 2017 en bepaling van het afschrijvingspercentage op 8%. [geintimeerden c.s.] beoogt hiermee kennelijk een lager bedrag aan waardeverlies te bereiken dan door de rechtbank is bepaald, zij het dat [geintimeerden c.s.] hierbij niet een bepaald bedrag vermeldt, en daarmee een lager bedrag dan waartoe [geintimeerden c.s.] is veroordeeld. Dit betekent dat [geintimeerden c.s.] hiermee een incidentele grief tegen het eindvonnis van 1 maart 2017 aanvoert. Hierop heeft [appellante] nog niet kunnen reageren; het hof zal haar in de gelegenheid stellen een memorie van antwoord in het incidenteel appel te nemen.
6.7
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 21 mei 2019 voor memorie van antwoord in het incidenteel appel aan de zijde van appellante;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en E.H. Schulten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 april 2019.
griffier rolraadsheer