Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Voorts ligt het op de weg van [appellant] om de aanwezigheid van de uitzonderingsgrond, namelijk beëindiging van de eerdere schuldsaneringsregeling wegens nieuwe schulden “om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen”, aannemelijk te maken. Ter zake is niets althans onvoldoende door [appellant] aangevoerd, terwijl op basis van hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht in ieder geval geen sprake is geweest van niet aan hem toe te rekenen omstandigheden.
Van een uitzondering als bedoeld in artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro is reeds om die reden dan ook geen sprake.