Belanghebbende exploiteert een attractiepark met een parkeerterrein waarvoor een vergoeding wordt gevraagd. Het geschil betreft de vraag of het bieden van parkeergelegenheid een zelfstandige prestatie is of een bijkomende dienst bij de toegang tot het park.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar het hof vernietigt deze uitspraak. Het hof stelt vast dat parkeren in dit geval geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie, namelijk de toegang tot het attractiepark. Dit volgt uit de ligging van het park, het parkeerverbod in de omgeving, de beperkte bereikbaarheid met openbaar vervoer en het feit dat bezoekers die met de auto komen niet kunnen parkeren zonder het park te bezoeken.
Het hof baseert zich op eerdere arresten van de Hoge Raad en concludeert dat het verlaagde tarief van 6% omzetbelasting van toepassing is op de parkeerdienst. De uitspraak van de rechtbank en de beslissing van de inspecteur worden vernietigd, en belanghebbende krijgt een teruggaaf van € 18.019. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende.