Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 31 juli 2018;
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 september 2018;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een geschil over de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Werkneemster trad in april 2016 in dienst voor bepaalde tijd, met verlengingen, en kreeg bij brief van 23 januari 2018 een aanbod voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd onder de opschortende voorwaarde van gelijkblijvend functioneren en omstandigheden.
Werkneemster accepteerde dit aanbod door ondertekening. Na meerdere incidenten op de werkvloer in februari 2018, waaronder conflicten met collega’s en niet-naleving van taken, besloot de werkgever het dienstverband niet om te zetten en beëindigde het contract per 15 maart 2018. Werkneemster vorderde in eerste aanleg onder meer doorbetaling van loon en een billijke vergoeding.
De kantonrechter wees de vorderingen af omdat de opschortende voorwaarde niet was vervuld en het dienstverband rechtsgeldig eindigde. Het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de opschortende voorwaarde rechtsgeldig is gesteld en vervuld had moeten zijn om het contract voor onbepaalde tijd te doen ingaan. De incidenten maakten duidelijk dat het functioneren niet gelijkbleef. Werkneemster heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij zich onheus gedroeg.
Daarom is het dienstverband per 15 maart 2018 geëindigd en worden de vorderingen afgewezen. Werkneemster wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is per 15 maart 2018 rechtsgeldig geëindigd omdat de opschortende voorwaarde niet is vervuld.