Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5499618 CV EXPL 16-6022)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met een productie;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- a. [appellant] is eigenaar van een woning, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). [appellant] wenste de woning eind 2011 te verhuren en heeft daartoe een ‘te huur’-bord aan de woning bevestigd, met daarop zijn telefoonnummer.
- b. [geïntimeerde] was op dat moment vastgoedbeheerder, wilde ‘huizen binnenhalen’ en heeft hierop gereageerd.
- c. [appellant] en [geïntimeerde] hebben elkaar in de woning ontmoet, waarbij [geïntimeerde] zijn manier van werken heeft uitgelegd en zijn brochure heeft overhandigd en besproken. In deze brochure is (onder meer) het volgende vermeld:
- d. Kort na deze ontmoeting heeft [geïntimeerde] contact opgenomen met [appellant] en hem gemeld dat [betrokkene] op zoek was naar woonruimte. [appellant] heeft tegen [geïntimeerde] gezegd dat hij bereid was om de woning aan [betrokkene] te verhuren. Op verzoek van [appellant] heeft [geïntimeerde] vervolgens de huurovereenkomst opgesteld waarbij [appellant] de woning aan [betrokkene] heeft verhuurd. [geïntimeerde] heeft daarvoor van [appellant] € 150,-- (het in de brochure voor het opstellen van een huurovereenkomst genoemde bedrag) ontvangen.
- e. [geïntimeerde] staat in de huurovereenkomst als beheerder vermeld en [geïntimeerde] heeft in die hoedanigheid de huurovereenkomst namens [appellant] ondertekend, terwijl [betrokkene] als huurder de huurovereenkomst voor zichzelf heeft ondertekend.
- f. In de huurovereenkomst is voor de gestoffeerde woning een huurprijs van € 1.200,-- per maand overeengekomen, alsmede een door de huurder te betalen waarborgsom van € 1.200,--. In de huurovereenkomst staat voorts onder meer het volgende:
- h. De verschuldigde borg en de huurpenningen zijn betaald over de periode tot en met juni 2013.
- i. Nadat de huur over juli en augustus 2013 onbetaald was gebleven hebben [appellant] en [geïntimeerde] in september 2013 de woning bezocht. De woning bleek toen te zijn verlaten en te zijn vervuild en beschadigd doordat daarin een inmiddels verwijderde hennepkwekerij was geëxploiteerd.
- j. Na herhaalde verzoeken van [geïntimeerde] aan [betrokkene] om de schade te vergoeden heeft een onbekende vrouw uit naam van [betrokkene] € 1.500,00 contant aan [geïntimeerde] betaald, welk bedrag op 8 november 2013 aan [appellant] is overgemaakt. [betrokkene] zegde [geïntimeerde] toe in de toekomst meer van dergelijke huur- en herstelvergoedingen te zullen betalen, maar die toezegging werd niet nagekomen.
- k. Op 5 december 2013 heeft [appellant] [geïntimeerde] een overzicht – in de vorm van een factuur – gestuurd ter zake € 10.216,00 aan herstelkosten en vervangingswerkzaamheden en € 4.440,00 aan gederfde huurinkomsten, te verminderen met het ontvangen bedrag van € 1.500,-- zodat een nog te betalen bedrag resteert van € 13.156,--.
- l. Bij brief, althans factuur, van 20 januari 2015 heeft [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] ten gevolge van de hennepkwekerij heeft geleden. [appellant] stelde op dat moment dat de schade € 19.982,92 beliep. Dit bedrag is opgebouwd uit het in het overzicht van 5 december 2013 genoemde bedrag van € 13.156,--, vermeerderd met nog enkele schadeposten en nog drie maanden huurderving.
- m. Bij brief van 26 januari 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
- Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is een bemiddelings- en beheerovereenkomst tot stand gekomen waarop de artikelen 7:400 en 7:425 BW van toepassing zijn (rov. 3.5).
- [geïntimeerde] is jegens [appellant] tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomst door ten aanzien van [betrokkene] geen grondig antecedentenonderzoek met kritische voorselectie uit te voeren. [geïntimeerde] kan in beginsel worden aangesproken voor de daaruit voortgevloeide schade (rov. 3.6).
- De in de algemene voorwaarden opgenomen exoneratie doet aan die aansprakelijkheid van [geïntimeerde] niet af (rov. 3.7).
- [appellant] heeft [geïntimeerde] niet binnen de in artikel 6:89 BW Pro bedoelde bekwame tijd aansprakelijk gesteld voor de schade. [appellant] kan daarom geen beroep meer doen op het gebrek in de prestatie van [geïntimeerde] , en zijn op de tekortkoming van [geïntimeerde] gebaseerde vordering stuit daarop af (rov. 3.9).
- [geïntimeerde] heeft weliswaar tevens onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] , maar [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat de schade zou zijn voorkomen als [geïntimeerde] [betrokkene] wel aan een antecedentenonderzoek en een kritische voorselectie had onderworpen. Ook de vordering tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatig handelen kan dus niet worden toegewezen (rov. 3.10).
- de beheersovereenkomst pas is gesloten nadat de huurovereenkomst tussen [appellant] en [betrokkene] was ingegaan;
- [geïntimeerde] in de beheersovereenkomst geen verplichtingen op zich heeft genomen ten aanzien van het doen van antecedentenonderzoek naar de geschiktheid van een (opvolgend) huurder, of ten aanzien van het uitvoeren van een kritische voorselectie.
‘De bemiddeling is voor u, als huiseigenaar/verhuurder geheel GRATIS!’) .
- dat [betrokkene] destijds (eind 2011) werkte bij een autobedrijf waar [geïntimeerde] onlangs een auto had gekocht;
- dat [betrokkene] door de eigenaar van dat autobedrijf aan [geïntimeerde] was voorgedragen als een betrouwbaar persoon;
- dat in dat kader aan [geïntimeerde] was meegedeeld dat [betrokkene] twee kinderen had en vanwege een echtscheiding op zoek was naar woonruimte;
- dat [betrokkene] er verzorgd uitzag.
‘zou zijn gebleken dat [betrokkene] geen enkel verhaal biedt en niet eens in staat was om de huur ad € 1.200,-- per maand te betalen en hij ook niet de werkelijke bedoeling heeft gehad om te gaan wonen in de woning die [appellant] wilde verhuren’, maar [appellant] heeft ook die beweringen op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd. Zo heeft [appellant] niet gesteld of op basis van het vonnis van 28 juni 2017 getracht is de vordering op [betrokkene] te verhalen en wat de bevindingen van de mogelijk daartoe ingeschakelde deurwaarder zijn geweest. Ook enig ander concreet feit, waaruit af te leiden is dat indien in december 2011 een voorselectie / antecedentenonderzoek naar [betrokkene] zou zijn uitgevoerd, daarbij toen al beletsels voor verhuur aan [betrokkene] zouden zijn gerezen, is door [appellant] niet gesteld. Dit brengt het hof tot de conclusie dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat indien in december 2011 een voorselectie / antecedentenonderzoek naar [betrokkene] zou zijn uitgevoerd, daarbij toen al beletsels voor verhuur aan [betrokkene] zouden zijn gerezen. Het hof tekent hierbij ook aan dat de huurovereenkomst op 1 december 2011 is ingegaan en dat de huur kennelijk gedurende ruim anderhalf jaar, te weten tot en met juni 2013, tijdig is betaald. Over enige problemen met die huurbetalingen heeft [appellant] in elk geval niets gesteld. De in de memorie van grieven door [appellant] geponeerde stelling dat [betrokkene] ‘niet eens in staat was om de huur ad € 1.200,-- per maand te betalen’ had in het licht daarvan door [appellant] moeten worden voorzien van een nadere onderbouwing. Die nadere onderbouwing had [appellant] uiterlijk in de memorie van grieven moeten geven. Omdat een nadere onderbouwing achterwege gebleven is, concludeert het hof dat [appellant] het door hem gestelde causaal verband tussen de tekortkoming van [geïntimeerde] en de door [appellant] geleden schade onvoldoende heeft onderbouwd.