Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 29 mei 2018;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 september 2018;
- de antwoordmemorie na getuigenverhoor van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 27 november 2018;
- het op 2 april 2019 gehouden pleidooi, bij gelegenheid waarvan mr. De Haas namens [appellant] een pleitnota met eisvermeerdering heeft overgelegd en de vooraf door hem toegezonden producties 9 en 10 in het geding heeft gebracht.
6.De verdere beoordeling
- dat in 2011 in een café in [vestigingsplaats] een bespreking heeft plaatsgevonden tussen hem en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] , en dat daarbij ook [broer van appellant] aanwezig was;
- dat [geïntimeerde 1] in dat gesprek duidelijk heeft gezegd dat hij de woning wilde huren;
- dat [geïntimeerde 1] toen de door [geïntimeerde 2] opgestelde huurovereenkomst heeft ondertekend;
- dat [geïntimeerde 2] toen tevens een verklaring heeft geschreven en ondertekend waarin stond dat hij garant zou staan voor de huurbetalingen en voor eventuele schade aan de woning;
- dat [geïntimeerde 1] enige tijd na ondertekening van de huurovereenkomst aan [appellant] een aanbetaling van € 100,-- op de huur heeft gedaan.
- B. € 29.252,32 ter zake kosten van herstel van de woning, vermeerderd met wettelijke rente;
- C. € 2.520,28 ter zake kosten van het schoonmaken en leegmaken van de woning na het aantreffen van de hennepkwekerij, vermeerderd met wettelijke rente;
- D. € 5.166,16 ter zake kosten van de elektriciteitsaansluiting, vermeerderd met wettelijke rente;
- E. € 1.095,-- ter zake buitengerechtelijke kosten;
- € 601,98 ter zake de eindafrekening van Essent van 26 oktober 2011;
- € 4.564,18 ter zake de fraudefactuur van Enexis van 11 november 2011.
- de aanmaning van Enexis van 28 november 2011, gericht aan [appellant] , die betrekking heeft op een factuur van 11 november 2011 ten bedrage van € 4.564,18 met betrekking tot gepleegde fraude ter zake waarvan op de factuur een dossiernummer is vermeld (prod. 6 bij de inleidende dagvaarding);
- een e-mail van Enexis aan [appellant] van 14 januari 2019 waarop bij de onderwerp-aanduiding onder meer het zojuist genoemde dossiernummer is vermeld en waarbij als “Pleegadres” het adres van de in geding zijnde woning is vermeld; in deze e-mail bevestigt Enexis aan [appellant] dat hij de factuur ‘inzake bovenstaand dossier’ ten bedrage van € 4.564,18 volledig heeft voldaan;
- een e-mail van Enexis aan de advocaat van [appellant] van 14 januari 2019 waarin Enexis expliciet bevestigt dat het om een fraudenota gaat en dat aan [appellant] is bevestigd dat hij het volledige bedrag van de nota heeft voldaan.
- De factuur dateert van 27 juli 2012. [appellant] heeft gesteld dat hij de factuur daadwerkelijk omstreeks die datum tot zijn beschikking heeft gekregen en dat hij de factuur toen in termijnen is gaan aflossen. Volgens [appellant] heeft hij zijn caravan en aanhanger verkocht om met de opbrengst daarvan de factuur ten dele te voldoen. Volgens [appellant] heeft hij de factuur al geruime tijd geleden geheel afgelost maar omtrent het moment waarop hij de aflossing heeft voltooid, heeft hij geen mededelingen gedaan. Indien dit alles waar zou zijn, valt niet te begrijpen waarom [appellant] deze factuur niet heeft vermeld en als productie bijgevoegd bij de inleidende dagvaarding van 19 mei 2014, en waarom hij in die dagvaarding ter zake schadepost B niet het op de factuur genoemde bedrag van € 36.382,28 maar slechts het door [de v.o.f.] geoffreerde bedrag van € 29.252,32 heeft gevorderd. [appellant] heeft hier geen aannemelijke verklaring voor kunnen geven. Dit doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van de factuur van [gevelrenovatie] Gevelrenovatie.
- [appellant] heeft gesteld dat hij de factuur van [gevelrenovatie] Gevelrenovatie van € 36.382,28 door contante termijnbetalingen heeft voldaan. [appellant] heeft echter geen kwitanties overgelegd die met die beweerdelijke termijnbetalingen verband houden. Volgens [appellant] zijn aan hem geen kwitanties verstrekt. Gelet op de omvang van het beweerdelijk te betalen bedrag en het aanzienlijk aantal termijnen dat daarvoor nodig moet zijn geweest, acht het hof het ongeloofwaardig dat dit bedrag contant in termijnen zou zijn afbetaald zonder dat daarvoor kwitanties zouden zijn verstrekt.
- Het hof heeft hiervoor in rov. 6.7.3 uiteengezet dat ook de factuur van [gevelrenovatie] Gevelrenovatie van 2 maart 2012 ten bedrage van € 2.632,28 ongeloofwaardig is. De ongeloofwaardigheid van die factuur werpt in de gegeven omstandigheden ook een smet op de factuur van [gevelrenovatie] Gevelrenovatie van 27 juli 2012 van € 36.382,28.
- Volgens het door [appellant] als productie 12 in eerste aanleg overgelegde persbericht bevond de hennepkwekerij met tussen de 700 en 800 planten zich op de tweede etage van de woning. [appellant] heeft bij gelegenheid van het pleidooi gesteld dat de hennepkwekerij zich tevens op de eerste verdieping bevond. Vast staat in elk geval dat de hennepkwekerij zich niet bevond op de begane grond van de woning.
- Uit de door [appellant] bij de memorie van grieven overgelegde foto’s blijkt genoegzaam dat met name op de verdieping(en) waar de hennepkwekerij aanwezig was, aanzienlijke schade is aangericht aan de woning, onder meer bestaande uit gemaakte openingen in wanden en deuren om doorvoeren te realiseren voor ventilatieleidingen. Ook de door de getuige [getuige] ten overstaan van de kantonrechter afgelegde verklaring bevestigt dat.
- Ten aanzien van andere delen van de woning heeft [appellant] de door hem gestelde schade en de relatie tussen die schade en de aanwezigheid van de hennepkwekerij onvoldoende onderbouwd.
- Tot uitgangspunt strekt dat [appellant] deze schade in eigen beheer heeft hersteld, althans niet tegen commerciële tarieven heeft laten herstellen, nu hij zijn daarop betrekking hebbende stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en het door [geïntimeerde 2] gevoerde verweer onvoldoende heeft betwist.
- € 2.520,28 ter zake schadepost C;
- € 4.564,18 ter zake schadepost D;
- € 7.500,00 ter zake schadepost B.
- [appellant] veroordelen in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter aan de zijde van [geïntimeerde 1] , en die kosten begroten op € 1.800,-- aan salaris gemachtigde;
- [geïntimeerde 2] veroordelen in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter aan de zijde van [appellant] en die kosten begroten op € 95,77 aan dagvaardingskosten, € 231,-- aan (de helft van het) griffierecht, € 170,-- aan getuigentaxen en € 1.800,-- aan salaris gemachtigde.
7.De uitspraak
- de vordering van [appellant] jegens [geïntimeerde 2] is afgewezen
- [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is veroordeeld;
- veroordeelt [geïntimeerde 2] om aan [appellant] € 14.584,46 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 3 januari 2017;
- veroordeelt [appellant] de proceskosten van het geding bij de kantonrechter aan de zijde van [geïntimeerde 1] , en begroot die kosten tot op heden op € 1.800,-- aan salaris gemachtigde;