Uitspraak
gevestigd te Hoofddorp,
gevestigd te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Uitgangspunten in cassatie
- ii) Ter uitvoering van de overnameovereenkomst heeft de rechtsvoorgangster van WEA per 1 januari 2006 het personeel van [verweerder] overgenomen.
- iii) De rechtsvoorgangster van WEA heeft aan [verweerder] een overnamesom betaald van € 471.791,-- en managementvergoedingen van € 99.365,-- (2006) en € 72.185,-- (2007).
d) € 53.819,-- excl. BTW in verband met afboekingen.
zaak(een voor menselijke beheersing stoffelijk object; art. 3:2 BW Pro) in de zin van art. 7:17 BW Pro kan worden beschouwd. De vordering van WEA tot schadevergoeding op grond van toerekenbaar tekortschieten en onrechtmatige daad wordt dan ook beheerst door de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:310 BW Pro. In aanmerking nemende dat de eerste verdenking tegen [verweerder] dateert van na de verhuizing van het kantoor van [verweerder] naar dat van WEA eind december 2006, [verweerder] in augustus/september 2007 op non-actief is gesteld (volgens [verweerder]), althans zich niet meer met het [verweerder]-personeel mocht bemoeien (volgens WEA), het rapport van Deloitte dateert van augustus 2009 en de inleidende dagvaarding (…) van januari 2012, is verjaring niet aan de orde en is het beroep op schending van de klachtplicht onvoldoende toegelicht.”
4.Beoordeling van het middel in het principale beroep
5.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
6.Beslissing
7 september 2018.