Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 5 maart 2019;
- de akte uitlaten van [appellant] ;
- de bij H16 formulier door [appellant] nagezonden inschrijving bij de Gemeente Maastricht.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak vordert appellant in kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming van zijn huurwoning. Appellant erkent dat de woning inmiddels op 6 december 2018 is ontruimd en stelt dat hij sindsdien geen andere woonruimte heeft kunnen vinden, waardoor hij belang heeft bij schorsing en herintreding.
Het hof oordeelt dat door de erkenning van de ontruiming appellant geen belang meer heeft bij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, aangezien deze vordering niet kan worden opgevat als een verzoek tot herintreding in de woning. Daarnaast stelt het hof dat, zelfs indien de woning niet ontruimd zou zijn, de vordering op grond van artikel 351 Rv Pro zou worden afgewezen omdat appellant geen nieuwe omstandigheden heeft gesteld die een belangenafweging in zijn voordeel rechtvaardigen.
Het hof benadrukt dat nieuwe omstandigheden alleen in aanmerking komen indien zij zich na het vonnis in eerste aanleg hebben voorgedaan. De omstandigheden die appellant aanvoert, zoals de verhuizing van een omwonende en zijn dakloosheid na ontruiming, zijn geen nieuwe omstandigheden die toewijzing rechtvaardigen. De vordering wordt daarom afgewezen en de beslissing over proceskosten aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. Het pleidooi in de hoofdzaak is vastgesteld op 22 mei 2019.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de ontruiming wordt afgewezen.