De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die het ouderlijk gezag over haar twee kinderen beëindigde en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemde. De kinderen zijn sinds maart 2017 uit huis geplaatst en verblijven bij pleegouders.
De moeder stelt dat zij zich positief heeft ontwikkeld, dat de wettelijke gronden voor beëindiging niet zijn vervuld en dat het belang van gezinshereniging zwaarder weegt dan continuering van de huidige situatie. Zij verzoekt ook om een contra-expertise. De gecertificeerde instelling en de raad voeren aan dat de moeder onvoldoende stabiel is, afspraken niet nakomt en dat de kinderen veilig gehecht zijn aan de pleegouders.
Het hof oordeelt dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken en dat de moeder onvoldoende in staat is gebleken een stabiele opvoedingsomgeving te bieden. De kinderen hebben medische en ontwikkelingsbehoeften die in het pleeggezin worden vervuld. Een deskundigenonderzoek kan het oordeel niet wijzigen. Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.