Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/296285/HA ZA 15-511)
2.Het geding in hoger beroep
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord (met twee producties);
- de akte houdende rectificatie van [geïntimeerde] (met de juiste productie 2);
- de bij brieven van 12 en 14 november 2018 door [geïntimeerde] toegezonden producties en de bij brief van 13 november 2018 door [appellante] toegezonden producties.
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
de genoemde huurobjecten kwalificeren als roerend en bij de overdracht geen overdrachtsbelasting verschuldigd is(hof: hierna volgen projectnummers, waaronder dat van het onderhavige schoolgebouw)
(…)”
, met de daarop rustende rechtsverhoudingen, te weten huurcontracten. Deze 14 verkochte roerende zaken zijn namelijk verhuurd aan de desbetreffende (school)besturen door verkoper 1a (…). Op grond van het bepaalde in artikel 7:226 BW Pro (koop breekt geen huur) gaan door de onderhavige verkoop en overdracht de rechten en verplichtingen van verkoper sub 1 als verhuurder over op kopers als nieuwe verkrijgers van de roerende zaken.”
“aansluitend op de door jullie in eigendom en verhuurde gebouw van het [stichting] een viertal bestaande lokalen in twee lagen tegen het gebouw van [naam] te plaatsen.”Bij brief van 12 september 2013 (productie 26 bij productie 1 CvA/CvE) heeft [geïntimeerde 1] namens [geïntimeerde] aan [stichting] laten weten in principe geen bezwaar te hebben tegen de uitbreiding. Verder staat in deze brief:
(…) Zoals bekend stelt [building] zich op het standpunt dat de bedoelde onderwijsruimte haar eigendom is (geworden).
- [stichting] en [systeembouw] geen andere bedoeling hebben gehad dan het realiseren van een
- deze bedoeling ook blijkt uit artikel 8 van Pro de huurovereenkomst, op grond waarvan aan het einde van de huurovereenkomst het gebouw moet worden verwijderd;
- in het mailbericht van 4 september 2013 namens [stichting] de eigendom van [systeembouw] en haar positie als verhuurder wordt erkend;
- de belastingdienst het gebouw als roerend aanmerkt;
- [stichting] bij de gemeente een omgevingsvergunning met beperkte looptijd heeft aangevraagd en dat deze door de gemeente ook is verleend met een beperkte looptijd, namelijk tot 10 mei 2016;
- uit het kadaster het onroerende karakter niet blijkt;
- [appellante] en [stichting] er steeds, althans tot maart 2015, vanuit zijn gegaan dat [systeembouw] en later [geïntimeerde] eigenaresse van het gebouw waren.
de aard en inrichting van het gebouwook voor derden kenbaar is. Het hof is anders dan [geïntimeerde] van oordeel dat niet kan worden gezegd dat voor derden kenbaar is dat het gebouw naar
aard en inrichtingniet bestemd is om duurzaam met de grond te zijn verenigd. [geïntimeerde] beroept zich daartoe met name op de door de gemeente verleende omgevingsvergunning met een beperkte duur alsook op het ontbreken van een registratie in het kadaster, maar deze omstandigheden zeggen niets over de aard en de inrichting van het gebouw. Het gaat daarbij om de indruk die het schoolgebouw maakt op een willekeurige derde, dat wil zeggen een derde die niet op de hoogte is van de tussen bouwer en opdrachtgever besproken bedoeling ten aanzien van de tijd dat het gebouw ter plaatse in gebruik zou zijn bij [stichting] . Niet alleen op grond van de wijze van fundering (er is, zo staat onbetwist vast, een betonnen fundering gestort), de aansluiting op de riolering, de in het gebouw aangebrachte betonnen vloeren, de aanwezigheid van een lift en de in het gebouw aangebrachte nutsvoorzieningen (alles in verband met elkaar bezien), maar ook grond van overgelegde foto’s waaruit de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw blijkt, is het hof van oordeel dat het gebouw door zijn naar buiten toe blijkende aard en inrichting op een willekeurige derde overkomt als een duurzaam met de grond verenigd en dus een onroerend gebouw. Dat het gebouw met de nodige inspanningen wellicht in technisch opzicht demontabel zou kunnen zijn en geplaatst is op een stuk van het perceel dat voorheen als sportveld werd gebruikt (en dus op een mogelijk ongebruikelijke plek was gesitueerd), doet aan het voorgaande niet af.