Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2002 en 2003, opgelegd aan de erven van zijn vader. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 lid 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing is op het vermogen van een in Liechtenstein gevestigde rechtspersoon ([E]) waarvan vader de oprichter en begunstigde was.
Het vermogen van [E] bestond onder meer uit Nederlandse bankrekeningen en spaarbrieven, maar het Hof oordeelt dat dit vermogen als in het buitenland aangehouden moet worden beschouwd omdat [E] een zelfstandige buitenlandse entiteit is. De Inspecteur heeft onvoldoende controlemogelijkheden gehad om het belang van vader in [E] binnen de reguliere navorderingstermijn te achterhalen.
Belanghebbende voerde aan dat het vermogen in Nederland was aangehouden en dat vader het beheer vanuit Nederland voerde, maar het Hof volgt de Inspecteur dat de vestigingsplaats van de rechtspersoon doorslaggevend is. Ook het ontbreken van een informatie-uitwisselingsovereenkomst tussen Nederland en Liechtenstein versterkt de noodzaak van de verlengde navorderingstermijn.
Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Tevens worden de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente als juist beoordeeld. Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.