Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi van 10 april 2019, waarbij voor [appellante] is gepleit door haar advocaat en voor [geïntimeerde] door mr. M. Brinks, advocaat te [kantoorplaats] , die beiden pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier door [appellante] toegezonden aktes houdende producties 12 en 13, ingekomen ter griffie op 27 maart 2019 en de bij brief van 9 april 2019 toegezonden akte houdende productie 14, ingekomen ter griffie op 9 april 2019, welke stukken bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht;
- de bij H-formulier door [geïntimeerde] toegezonden akte houdende productie 16, ingekomen ter griffie op 28 maart 2019 en de bij H-formulier toegezonden akte houdende productie 17, ingekomen ter griffie op 9 april 2019, welke stukken bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht.
lid 1, sub a, b en c BVIE) verzetten tegen gebruik door [geïntimeerde] van haar 1e Rodeo merk . Dat het 1e Rodeo merk aanvankelijk niet op naam van [geïntimeerde] stond doet aan het voorgaande niet af. Het gaat er om dat het 1e Rodeo merk is ingeschreven tijdens de periode waarin het woordmerk “ RODEO ” van [appellante] vervallen kon worden verklaard. Het hof volgt [appellante] evenmin in haar stelling dat het beroep van [geïntimeerde] op het 1e Rodeo merk misbruik van recht is. Het enkele feit dat het 1e Rodeo merk aan [geïntimeerde] is overgedragen nadat [appellante] [geïntimeerde] duidelijk had gemaakt dat zij zich op haar merkrechten zou gaan beroepen, levert zonder bijkomende omstandigheden, die zijn gesteld noch gebleken, geen misbruik van recht op. Daar komt bij dat [geïntimeerde] zowel in haar memorie van antwoord als tijdens het pleidooi heeft toegelicht dat het 1e Rodeo merk aanvankelijk is ingeschreven op naam van de vennootschap van de vader van de heer [de vader van de directeur van de vennootschap van de 1e merknaam] , directeur van [geïntimeerde] , aangezien de vader van [de vader van de directeur van de vennootschap van de 1e merknaam] de start van de Rodeo restaurants financierde. Volgens [geïntimeerde] heeft zij van begin af aan op exclusieve basis het 1e Rodeo merk mogen gebruiken. Tijdens het pleidooi heeft [appellante] erop gewezen dat van die exclusieve licentie geen bewijs is overgelegd. Naar het oordeel van het hof is daarin niet een voldoende gemotiveerde betwisting te lezen van hetgeen [geïntimeerde] omtrent de aanvankelijke inschrijving van het 1e Rodeo merk heeft gesteld, te meer niet nu in de door [appellante] overgelegde akte van overdracht (mvg prod. 8) een aanwijzing voor de juistheid van de stelling van [geïntimeerde] is te lezen. In die akte is als gevolmachtigde van overdrager “ [gevolmachtigde van overdrager] ” vermeld (en als verkrijger “ [verkrijger] , DGA [beheer] Beheer”), hetgeen strookt met de toelichting door [de vader van de directeur van de vennootschap van de 1e merknaam] namens [geïntimeerde] , dat het 1e Rodeo merk aanvankelijk op naam van (de vennootschap van) zijn vader stond.
bBVIE) respectievelijk een gebruiksverbod (artikel 2.20 lid 2 sub
bBVIE) afgewezen.
aBVIE kan worden vastgesteld is de vordering van [appellante] evenmin toewijsbaar op grond van dit artikel.