AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling opzegging arbeidsovereenkomst bij projectclausule en loondoorbetaling
In deze zaak stond centraal de vraag of een arbeidsovereenkomst voor de duur van een project rechtsgeldig was geëindigd en of de werknemer aanspraak kon maken op loondoorbetaling. De werkgever had bij brief medegedeeld dat het project en daarmee de arbeidsovereenkomst zou eindigen. De werknemer vorderde daarop loondoorbetaling.
Het hof ging er veronderstellenderwijs vanuit dat de projectclausule niet rechtsgeldig was omdat de einddatum niet objectief bepaalbaar was. Hierdoor zou de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege zijn geëindigd, maar voor onbepaalde tijd gelden. Desondanks oordeelde het hof dat de werknemer de brief van de werkgever als een opzegging moest opvatten.
De werknemer had tegen deze opzegging kunnen optreden door binnen de wettelijke vervaltermijn een verzoekschrift in te dienen op grond van artikel 7:681 BWPro, maar dit is niet gebeurd. Hierdoor is de opzegging onaantastbaar geworden. De vordering van de werknemer tot loondoorbetaling werd daarom afgewezen.
Het hof verwees de zaak naar de rol voor memorie van grieven en hield verdere beslissingen aan. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2019.
Uitkomst: De vordering tot loondoorbetaling wordt afgewezen omdat de opzegging niet tijdig is bestreden en daardoor onaantastbaar is.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.252.801/01
arrest van 4 juni 2019
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M.J. Rubberg te Echt, gemeente Echt-Susteren,
tegen
1.[geïntimeerde 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. I.R. Köhne te Voorburg,
als vervolg op de door het hof gegeven rolbeslissing van 5 maart 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 6266122\ CV EXPL 17-7722 gewezen vonnis van 13 september 2018.
5.Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de rolbeslissing van 5 maart 2019;
de akte na rolbeslissing van appellante met producties;
de antwoordakte van geïntimeerde sub 2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6.De beoordeling
6.1.
In de rolbeslissing van 5 maart 2019 is appellante in de gelegenheid gesteld een ambtsedige verklaring in het geding te brengen van de gerechtsdeurwaarder die het exploot van dagvaarding in hoger beroep aan geïntimeerde sub 2 heeft betekend, waarin deze verklaart dat en op welke datum die betekening heeft plaatsgevonden. Bij haar akte na rolbeslissing heeft appellante een verklaring van de gerechtsdeurwaarder in het geding gebracht waaruit volgens haar blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep op 10 december 2018 aan geïntimeerde sub 2 is betekend. Geïntimeerde sub 2 heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
6.2.
Gezien de op ambtseed opgemaakte verklaring van [gerechtsdeurwaarder] , gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, van 13 maart 2019 en de daarbij gevoegde stukken is het hof van oordeel dat thans vast staat dat de dagvaarding in hoger beroep op 10 december 2018, derhalve tijdig, aan geïntimeerde sub 2 is betekend. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van grieven.
6.3.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
7.De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 16 juli 2019 voor memorie van grieven aan de zijde van appellante;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.J. Henzen en E.H. Schulten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 juni 2019.