De kantonrechter stelde in 2007 beschermingsbewind in over de goederen van de rechthebbende vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand die hem belemmerde zijn vermogensrechtelijke belangen goed te beheren. Na het doorlopen van de wettelijke schuldsaneringsregeling en diverse proefperiodes waarin de rechthebbende zijn financiën zelf beheerde, verzocht hij het bewind op te heffen.
De rechthebbende stelde dat hij na twaalf jaar bewind zijn financiën zelfstandig kon beheren, geen nieuwe schulden had gemaakt en dat het bewind stress en gezondheidsklachten veroorzaakte. De bewindvoerder betoogde dat de noodzaak voor bewind voortduurde omdat de rechthebbende onvoldoende financieel inzicht heeft, regelmatig om extra leefgeld vraagt en onvoldoende besef heeft van zijn financiële situatie en beperkingen.
Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke grond voor het bewind nog steeds bestaat. De rechthebbende heeft onvoldoende inzicht in zijn financiële positie en de gevolgen van zijn handelen, waardoor er een reëel risico op nieuwe schulden is. Ook zijn medische beperkingen en het ontbreken van adequate familieondersteuning spelen een rol.
Daarom werd het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen en de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant bekrachtigd. Het bewind blijft van kracht om de financiële belangen van de rechthebbende te beschermen.