Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
nummer 200.255.368/01merkt het hof als belanghebbende aan:
nummer 200.255.799/01merkt het hof als belanghebbenden aan:
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de brief van de raad d.d. 17 april 2019;
- de pleitnotities van de advocaten in de schorsingszaken 200.255.368/02 en 200.255.799/02;
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de pleegouders d.d. 17 april 2019;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de GI d.d. 19 april 2019;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 14 februari 2019;
- de ter zitting door de advocaat van de pleegouders overgelegde pleitnotitie.
3.De beoordeling
In de rechtsoverweging (derde tekstblok van pagina 4 van de beschikking) formuleert de kinderrechter de onderdelen van het terugplaatsingstraject vanaf 22 februari 2019, waarbij [minderjarige] vanaf 22 juni 2019 dan weer bij de vader woont. De kinderrechter stelt vervolgens in de overwegingen van de beschikking (en dus niet in het dictum) het terugplaatsingstraject vast: in de eerste maand wekelijks twee dagdelen, niet vallend in het weekend; in de tweede maand wekelijks twee aaneensluitende dagen, niet in de weekends, met in elk geval tweemaal een overnachting; in de derde maand wekelijks drie aaneengesloten dagen, niet in de weekends, met telkens twee overnachtingen; in de vierde maand de hele week van maandagochtend tot vrijdagmiddag. Vanaf 22 juni 2019 zou [minderjarige] dan bij de vader wonen.