Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 29 augustus 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 28 november 2017;
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 4;
- de memorie van antwoord met producties 15 tot en met 18;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier van 20 maart 2019 van de zijde van [voornaam van geintimeerde 1] en [voornaam van geintimeerde 2] toegezonden productie 19, die bij het pleidooi bij akte in het geding is gebracht.
6.De beoordeling
”.
mogenterugbetalen, en niet dat zij dat
moeten. Uit de in de overeenkomst genoemde bijlage blijkt wat de financiële situatie van [voornaam van geintimeerde 1] en [voornaam van geintimeerde 2] was ten tijde van het aangaan van de lening, en daaruit blijkt dat het de bedoeling was dat vooralsnog niet afgelost zou worden omdat het maandelijkse inkomen van [voornaam van geintimeerde 1] en [voornaam van geintimeerde 2] gelet op de maandelijkse lasten dat niet toeliet. Partijen waren het erover eens en hebben met elkaar afgesproken dat [voornaam van geintimeerde 1] en [voornaam van geintimeerde 2] (uiterlijk) zouden aflossen uit de gelden die vrijkomen uit de schenkingen na het overlijden van moeder [moeder van appellant en geintimeerde 1] . Immers, op dat moment zouden zij in staat zijn om af te lossen. Ten slotte is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om nu de gelden op korte termijn terug te willen ontvangen, aldus [voornaam van geintimeerde 1] en [voornaam van geintimeerde 2] .