ECLI:NL:GHSHE:2019:211

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 januari 2019
Publicatiedatum
24 januari 2019
Zaaknummer
200.240.908_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing bewind over financiële belangen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde op 8 juli 2015 een bewind in over de toekomstige goederen van de rechthebbende, met benoeming van een bewindvoerder. De rechthebbende verzocht om opheffing van dit bewind, stellende dat hij zijn financiën goed kan beheren en niet steeds toestemming voor uitgaven wil vragen. Hij gaf aan schuldenvrij te zijn en een ondersteunend netwerk te hebben, en stond open voor een proefperiode onder supervisie van de bewindvoerder.

Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro het bewind kan worden opgeheven indien de noodzaak niet meer bestaat of voortzetting niet zinvol is. De sociaal begeleider van de rechthebbende verklaarde dat het bewind niet langer nodig zou zijn bij vrijwillige financiële ondersteuning, maar dat hij deze niet kan bieden. Tevens was er nog geen concrete vrijwillige begeleiding of budgetplan aanwezig.

Gezien het ontbreken van daadwerkelijke begeleiding en een concreet budgetplan concludeerde het hof dat de grond voor het bewind nog steeds aanwezig is. Ook achtte het hof een proefperiode onder supervisie van de bewindvoerder op dit moment niet aangewezen. Daarom bekrachtigde het hof de eerdere beschikking en wees het verzoek tot opheffing af.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 24 januari 2019
Zaaknummer: 200.240.908/01
Zaaknummer eerste aanleg: 6572518 OV VERZ 18-196
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. J.H.P.M. Verhagen,
als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de bewindvoerder] h.o.d.n. [Welzijn] Welzijn,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 15 maart 2018.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juni 2018, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek (tot opheffing van het bewind) toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht.
2.2.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van:
- de brief van de advocaat van de rechthebbende d.d. 6 juli 2018, ingekomen ter griffie op 9 juli 2018, met producties.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de rechthebbende bijgestaan door zijn advocaat, mr. Verhagen;
  • de heer [de informant] (hierna: de sociaal begeleider van de rechthebbende), die als informant is gehoord.
2.3.1.
De bewindvoerder is niet verschenen.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 8 juli 2015 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende met benoeming van [de bewindvoerder] h.o.d.n. [Welzijn] Welzijn tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.
De rechthebbende is zeer goed in staat om zijn financiën zelf te beheren. De rechthebbende wil niet steeds toestemming voor zijn uitgaven hoeven te vragen. De rechthebbende is schuldenvrij, zijn vaste lasten worden automatisch afgeschreven en hij heeft een ondersteunend netwerk, althans dat kan worden gecreëerd. De rechthebbende heeft regelmatig contact met zijn sociaal begeleider, de heer [de informant] . De rechthebbende staat eventueel ook open voor een proefperiode onder supervisie van de bewindvoerder.
3.5.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW Pro, alsmede ambtshalve.
3.6.
Het hof overweegt als volgt.
Voldoende is gebleken dat de rechthebbende ook nu nog niet in staat is om zijn financiële belangen behoorlijk waar te nemen zonder ondersteuning. Dienaangaande wijst het hof in het bijzonder op de navolgende omstandigheden.
3.6.1.
In de eerste plaats heeft de sociaal begeleider van de rechthebbend ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij denkt dat een bewind niet langer noodzakelijk zou zijn als de rechthebbende vrijwillige financiële ondersteuning zou krijgen. De sociaal begeleider kan hem die ondersteuning echter niet bieden. De advocaat van de rechthebbende heeft de visie van de sociaal begeleider ter zitting onderschreven.
In de tweede plaats is ter zitting in hoger beroep gebleken dat er op dat moment nog geen of onvoldoende begin was gemaakt met het vormgeven van vrijwillige financiële begeleiding voor de rechthebbende. Er was ook nog niemand (benaderd) die die begeleiding op zich zou kunnen en willen nemen en er lag evenmin een (budget)plan, althans is een dergelijk (budget)plan in hoger beroep niet overgelegd.
3.6.2.
Het op dit moment nog ontbreken van daadwerkelijke begeleiding in combinatie met het ten tijde van het hoger beroep kennelijk niet voorhanden zijn van een concreet budgetplan draagt er naar het oordeel van het hof niet alleen toe bij dat de grond die destijds heeft geleid tot het instellen van het bewind nog steeds aanwezig is zodat het verzoek tot opheffing ervan dient te worden te worden afgewezen, maar ook dat er thans geen of onvoldoende grond is om in het geval van rechthebbende een proefperiode te gelasten onder supervisie van de bewindvoerder. Minst genomen, moeten er dan eerst voldoende concrete en relevante stappen ten behoeve van de rechthebbende zijn genomen. Daarvan was, zoals hierboven al bleek, ten tijde van het onderhavige hoger beroep echter nog geen of onvoldoende sprake,
3.7.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen en de verzoeken van de rechthebbende derhalve afwijzen.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, zittingsplaats Breda, van 15 maart 2018;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.A.R.M. van Leuven en H.M.A.W. Erven en is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.