Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/300606/ HA ZA 15-388)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- het tussenarrest van dit hof van 4 april 2017;
- de memorie van antwoord, waarin de eerder ten onrechte genomen memorie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv is geïncorporeerd;
- het proces-verbaal van de meervoudige comparitie van 23 april 2018;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
om zonder uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van [geïntimeerde] (..) een arbeidsverhouding of samenwerking van welke aard dan ook aan te gaan met de bij de uitvoering van deze overeenkomst direct namens [geïntimeerde] betrokken werknemers(s).” (prod. 1 inl. dagv).
Dit alles leidt er in de visie van [appellante] toe dat zij wegens nodeloos bestede uren aan de onderhandelingen met Benelux en de misgelopen marge op het werk van [de werknemer] bij Benelux vorderingen op [geïntimeerde] heeft gekregen terwijl voorts [appellante] ten onrechte aan [geïntimeerde] facturen heeft betaald (vgl mvg nr 75) waaruit eveneens een vordering van [appellante] op [geïntimeerde] voortspruit. In dit verband stelt [appellante] dat (vi) bedoelde vorderingen verrekend mogen worden met de vorderingen van [geïntimeerde] op [appellante] .