Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 24 januari 2019 het vonnis van de rechtbank Limburg bekrachtigd waarbij het verzoek van schuldenaren tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De schuldenaren waren niet te goeder trouw bij het ontstaan van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, mede vanwege ontnemingsvorderingen uit een hennepteeltzaak en aanzienlijke belastingschulden.
De rechtbank had vastgesteld dat bijna 40% van de schulden voortvloeide uit strafrechtelijke veroordelingen en dat de schuldenaren reeds eerder een schuldsaneringsregeling hadden doorlopen die in 2008 was geëindigd. Het hof oordeelde dat het verzoek niet te vroeg was ingediend, maar dat de schuldenaren onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zouden kunnen nakomen, mede vanwege het ontbreken van een verklaring over beheersbaarheid van psychosociale problemen.
Daarnaast faalde het beroep op de hardheidsclausule omdat niet was aangetoond dat schuldenaren greep hadden gekregen op de omstandigheden die tot de schulden hadden geleid. Het hof concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het verzoek moest worden afgewezen en bekrachtigde het vonnis.