Conclusie
Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.De prejudiciële vraag
4.Algemene beschouwing
NJ2009, 269). [4]
NJ2012, 636, op welke beschikking ik hierna nog terugkom, heb ik deze praktijk aan de orde gesteld en daarover opgemerkt dat deze handelswijze van bewindvoerders m.i. in strijd is met de wet omdat de slotuitdelingslijst op grond van art. 356 lid 1 Fw Pro immers onverwijld dient te worden opgemaakt.
NJ2012, 636). Het ging in die zaak om de vraag of een aanspraak uit een nalatenschap, die was opgekomen nadat de driejaarstermijn op grond van art. 349a Fw was geëindigd en de rechter een uitspraak had gedaan in de zin van art. 354 Rv Pro, maar de slotuitdelingslijst nog niet verbindend was geworden en de schuldsaneringsregeling om die reden nog niet formeel op grond van art. 356 lid 2 Fw Pro was geëindigd, in de boedel viel en aan de schuldeisers ten goede behoorde te komen. [12] De Hoge Raad was van oordeel dat de gevolgen van de toepassing van de schuldsanering zoals bedoeld in de tweede afdeling van Titel III van de Faillissementswet eindigen door het aflopen van de termijn die ingevolge art. 349a Fw voor de betrokken schuldsanering geldt. Nu de nalatenschap was opgekomen na het verstrijken van de termijn ex art. 349a Fw viel de nalatenschap buiten de boedel. De Hoge Raad overwoog hierover het volgende: