Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 1998,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak stond de hoogte van de kinderalimentatie voor twee jongmeerderjarige kinderen centraal. De vrouw, namens de kinderen, kwam in hoger beroep tegen eerdere beschikkingen waarin de onderhoudsbijdrage van de man was vastgesteld. De man ontkende onder meer de door de vrouw gestelde huurinkomsten in Turkije en stelde zijn draagkracht lager in verband met een beslag op zijn inkomen.
Het hof stelde vast dat er sprake was van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de alimentatieverplichting rechtvaardigde. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op € 292,72 per maand (niveau 2017), met een jaarlijkse indexering. De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn netto WIA-uitkering, erkende huurinkomsten in Nederland en rekening houdend met een beslag wegens een restschuld. De vermeende buitenlandse huurinkomsten werden niet meegenomen vanwege het ontbreken van vertalingen.
De vrouw had een netto besteedbaar inkomen uit een WIA-uitkering en kindgebonden budget, met een beperkte draagkracht die vanaf de meerderjarigheid van het oudste kind wegviel. Het hof bepaalde de onderhoudsbijdrage voor de man per kind per maand voor verschillende perioden, rekening houdend met de draagkrachtverdeling en wettelijke indexering. De beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd vernietigd en de beschikking van de rechtbank Breda aangepast.
Uitkomst: De kinderalimentatie voor twee jongmeerderjarige kinderen is verhoogd en aangepast op basis van een nieuwe draagkrachtberekening met ingang van 24 januari 2017.