Uitspraak
[de moeder],
Stichting Intervence
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het gezag van de vader over drie minderjarige kinderen kon worden beëindigd op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De vader voerde aan dat het gezag niet mocht worden beëindigd omdat hij altijd meewerkte met hulpverlening en de maatregel te verstrekkend was. De raad en moeder stelden echter dat de vader het gezag misbruikte en niet voldoende samenwerkte met hulpverlening, waardoor de ontwikkeling van de kinderen ernstig werd bedreigd.
Het hof nam kennis van diverse rapportages en verklaringen waaruit bleek dat de kinderen trauma’s en ontwikkelingsbedreigingen ondervinden mede door het gedrag van de vader. De moeder werkte wel mee met hulpverlening, maar de vader weigerde voldoende te participeren. Hierdoor kon geen verbetering in de opvoedsituatie aan zijn kant worden bereikt. Het hof oordeelde dat het gezag van de vader kon worden beëindigd omdat de kinderen anders langdurig onder toezicht zouden blijven, wat niet in hun belang is.
Het hof bevestigde de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en wees het meer of anders verzochte af. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 27 juni 2019.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de vader over drie minderjarige kinderen wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en onvoldoende medewerking aan hulpverlening.