ECLI:NL:GHDHA:2022:2383
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag moeder na uithuisplaatsing kind bij vader
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam tot beëindiging van haar ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, dat sinds 2017 onder toezicht staat en bij de vader woont na een machtiging tot uithuisplaatsing.
De moeder betwistte de beëindiging van haar gezag en stelde dat zij het hoofdverblijf van het kind bij de vader accepteert en niet verantwoordelijk is voor de spanningen die het contact met het kind veroorzaken. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling stelden dat de moeder niet in staat is de belangen van het kind voorop te stellen, dat het kind ernstige spanningen ervaart door het contact met haar en dat het gezag daarom moet worden beëindigd.
Het hof oordeelde dat de moeder sinds 2014 kampt met psychische problemen die een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van het kind vormen. De moeder heeft het kind belast met negatieve verhalen over de vader, wat heeft geleid tot het weigeren van contact door het kind. Het kind ontwikkelt zich positief bij de vader, die een veilige opvoeding biedt.
Gelet op artikel 1:266 lid 1 BW Pro is het hof van oordeel dat de gronden voor beëindiging van het gezag aanwezig zijn en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het gezag van de moeder wordt beëindigd en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige.