Uitspraak
5.De beschikking d.d. 20 december 2018
- de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juni 2018 bekrachtigd voor zover het betreft de daarbij uitgesproken echtscheiding van partijen;
- afgewezen het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 augustus 2018;
- de behandeling van de zaak voor het overige aangehouden.
6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
7.De verdere beoordeling
- afgewezen het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 8.280,31 + p.m. moet voldoen;
- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 25 april 2017 tot aan de dag dat het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] aan de man of aan een derde is geleverd, een gebruiksvergoeding dient te voldoen van € 147,-- per maand;
- iedere verdere beslissing aangehouden;
- de (het hof begrijpt: wijze van) verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast op de wijze zoals vermeld in rov. 3.23 tot en met 3.27 (echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening), 3.35 (sieraden), 3.43 (bankrekening onder 3, 4 en 5 genoemd) en 3.47 (auto’s) van de beschikking van 8 juni 2018;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
- procedurele aspecten (grief 1 en 2 van de man);
- inboedel, sieraden en contanten uit de kluis (grief 4 van de man);
- de echtelijke woning (grief 3 van de man, grief 1 van de vrouw);
- de gebruiksvergoeding (grief 2 en 3 van de vrouw);
- vordering van € 8.280,31 (grief 5 van de man);
- proceskosten (verzoek van de vrouw).
manis – naar het hof begrijpt – een algemene grief waarmee hij het geschil in volle omvang in hoger beroep beoogt voor te leggen. Slechts geschilpunten die door middel van een – ook voor de wederpartij als zodanig kenbare – grief aan het hof zijn voorgelegd worden door het hof beoordeeld. Naast de andere grieven heeft deze grief geen zelfstandige betekenis en deze behoeft daarom verder geen bespreking.
mandat de rechtbank in haar beschikking van 8 juni 2018 ten onrechte een aantal in het lichaam van die beschikking genomen eindbeslissingen niet in het dictum heeft opgenomen. In de toelichting op deze grief heeft de man aangevoerd dat hem daarmee het recht is ontnomen in hoger beroep te gaan van die beslissingen.
hofoverweegt als volgt. Het hof ontgaat welk belang de man heeft bij de bespreking van zijn grief, nu hij bij onderhavig appel alsnog hoger beroep heeft kunnen instellen van die beslissingen. Bovendien had de man ook al eerder in hoger beroep kunnen gaan van de beschikking van 8 juni 2018. Deze beschikking is namelijk een zogenaamde deelbeschikking. Een deelbeschikking is een beschikking waarin in het dictum definitief is beslist op enig deel van het verzochte en is in zoverre een eindbeschikking, maar die overigens een tussenbeschikking is. Een deelbeschikking doorbreekt het appelverbod van art. 358 lid 4 lid Pro Rv, in die zin dat appel mogelijk is van de gehele beschikking, zowel van het tussenbeschikkingsgedeelte (waarbij grieven kunnen worden aangevoerd tegen eindbeslissingen in de overwegingen die betrekking hebben op dit tussenbeschikkingsgedeelte) als het eindbeschikkingsgedeelte.
mandat er aan de zijde van de vrouw sprake is van het opzettelijk zoekmaken dan wel verborgen houden in de zin van art. 3:194 lid 2 BW Pro. Het gaat om inboedelgoederen ter waarde van € 15.000,--, sieraden ter waarde van € 15.292,50 en een bedrag van € 25.000,-- aan contanten uit de kluis. De man vordert om die reden een bedrag van de vrouw van in totaal € 55.292,50.
vrouwheeft de grief van de man weersproken. Zij heeft op 17 maart 2017 slechts een beperkt aantal spullen opgehaald uit de voormalige echtelijke woning van partijen. Vrijwel alle inboedelgoederen zijn in de echtelijke woning achtergebleven. Verder ontkent de vrouw dat zij enig sieraad dat is vermeld in het taxatierapport van 5 januari 2016, in haar bezit heeft. Ten aanzien van het geldbedrag van € 25.000,-- aan contanten, merkt de vrouw op dat zij er mee bekend was dat er een behoorlijk bedrag aan contanten in de kluis van partijen lag. Dit geld was afkomstig van de handel van de man op internet en mogelijk ook van het gokken door de man. De man had dit bedrag waarschijnlijk al lang veilig gesteld toen de vrouw op 17 maart 2017 in de woning is geweest; op dat moment was de kluis leeg. De vrouw beschikt in ieder geval niet over dit bedrag. De vrouw verwijst naar pagina 6 van productie 18 uit eerste aanleg zoals door haar overgelegd (het tweede onderzoeksrapport van [verzekeringen] Verzekeringen), waaruit blijkt dat een derde heeft verklaard dat de man in april 2017 nog een flinke hoeveelheid contant geld zou hebben. Dit geld zou in een kluis in [plaats 2] liggen.
hofoverweegt als volgt.
(de man, hof)mij telefonisch mede dat hij mij in zijn testament wilde benoemen als enig erfgenaam. Hij was eigenlijk helemaal klaar met zijn verdere familie. Hij vertelde toen ook dat er bij hem was ingebroken en dat hij daarvan zijn ex-vrouw betichtte. Er was ongeveer ter waarde van een veertig duizend euro aan goederen en geld uit zijn woning ontvreemd. Dat waren voornamelijk sierraden, rond de vijfduizend euro aan contanten en aardewerk. Hij vertelde dat hij daarvoor een claim had weggelegd bij zijn verzekeringsmaatschappij. Hij noemde geen naam van de verzekeringsmaatschappij. De buren zouden de zus van zijn ex-vrouw hebben gezien toen er werd ingebroken.”
mandat hem een langere termijn gegund moet worden om te onderzoeken of hij de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning) kan overnemen. In dit verband heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij de woning alleen kan overnemen indien het hof van oordeel is dat het beroep van de man op art. 3:194 lid 2 BW Pro ter zake van de inboedelgoederen, de sieraden en het bedrag van € 25.000,-- aan contanten uit de kluis, slaagt.
vrouwheeft hiertegen verweer gevoerd. De man heeft tot op heden op geen enkele wijze aangetoond dat hij financieel in staat is om de woning over te nemen.
hofoverweegt als volgt.
vrouwhouden in dat de rechtbank bij de berekening van een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de berekeningsmethode op basis van de overwaarde van de woning.
manheeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt dat de rechtbank de door hem aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding juist heeft vastgesteld.
hofoverweegt als volgt.
manhoudt in dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering van
vrouwheeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat de grondslag van de vordering onduidelijk is en een grondslag overigens ook ontbreekt.
hofoverweegt als volgt.
vrouwheeft verzocht de man te veroordelen in de kosten in hoger beroep.
hofziet in hetgeen de vrouw heeft gesteld geen reden om af te wijken van hetgeen in een familierechtelijke procedure gebruikelijk is, te weten dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Om die reden zal het hof met toepassing van het bepaalde in art. 289 juncto Pro art. 362 Rv Pro de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.
8.De beslissing
- de wijze van verdeling ter zake van de voormalige echtelijke woning van partijen, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] (rov. 3.23 tot en met 3.27);
- de door de rechtbank bepaalde gebruiksvergoeding van € 147,-- per maand;