Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 16 mei 2017 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 4 december 2017;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
6.De beoordeling
“
U heeft over de afgelopen periode tot en met juli 2015 als maandhuur € 710,- betaald.
- € 710,- per maand voor iedere maand dat [appellant] na de dag van ontbinding in het bezit van het (voormalige) gehuurde blijft;
Het overweegt als volgt. Het hof heeft aanleiding gezien om de voor de beslissing relevante feiten opnieuw vast te stellen zoals hiervoor in rov. 6.1 vermeld. Daarbij komt dat het geschil binnen de grenzen van het hoger beroep opnieuw ter behandeling en beslissing aan het hof is voorgelegd. [appellant] heeft daarom geen belang bij grief I. Het betoog van [appellant] dat de verlaagde huurprijs van € 284,- nog te gelden heeft, komt bij de bespreking van grief VI aan de orde (zie hierna rov. 6.10).
om de huur met ingang van 01-01-2015 via de bank over te maken op rekeningnr. (…)”. Tot op heden is de huurachterstand niet betaald, aldus [geïntimeerde] .
heeft in de brief van 9 juli 2015 aan [appellant] geschreven: “
U heeft over de afgelopen periode tot en met juli 2015 als maandhuur € 710,- betaald”, maar hier staat tegenover dat deze brief volgens [geïntimeerde] moet worden geplaatst in het kader van de uitspraak van de huurcommissie van 2 juli 2015 die hij niet naast zich neer wilde leggen en hij er niet op de hoogte van was dat hij de huurverlaging kon verrekenen.
€ 284,- per maand, die was ingegaan op 1 december 2014 en gold totdat alle gebreken waren hersteld, tot de datum van ontruiming van toepassing was.