ECLI:NL:GHSHE:2019:2377
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schorsing van procedure wegens toepassing wettelijke schuldsanering en faillissement appellant
In deze civiele procedure in hoger beroep tussen appellant en curatoren van de gefailleerde stond een vordering van appellant in het faillissement van de gefailleerde centraal. Appellant was op het moment van het instellen van het hoger beroep reeds toegelaten tot de wettelijke schuldsanering, welke later tussentijds werd beëindigd en omgezet in een faillissement.
Het hof heeft in een tussenarrest partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van deze omstandigheden voor de procedure. Appellant voerde aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd trad door de ontvankelijkheid van het hoger beroep ter discussie te stellen en dat het hof feiten had aangevuld die niet door partijen waren ingebracht.
Het hof oordeelde dat appellant als zaakwaarnemer van haar bewindvoerder het hoger beroep had ingesteld om de beroepstermijn te redden en dat de procedure daardoor aan de invloed van appellant was onttrokken. Gelet op de openbare orde moest de hoedanigheid van procespartij ambtshalve worden onderzocht. Het hof constateerde dat appellant bij aanvang van het hoger beroep reeds in schuldsanering verkeerde en dat de vordering alleen via aanmelding ter verificatie kon worden ingesteld.
Daarom is de procedure van rechtswege geschorst op grond van artikel 29 Fw Pro en geldt deze schorsing nog steeds nu de schuldsanering is omgezet in een faillissement. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan en verwijst de zaak door naar de rol. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren op 9 juli 2019.
Uitkomst: De procedure is geschorst op grond van artikel 29 Fw en iedere verdere beslissing wordt aangehouden.