AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vordering curatoren tegen schuldsaneringsgerechtigde en later failliete echtgenote van gefailleerde
In deze civiele procedure staat een vordering van de curatoren van een failliete echtgenoot tegen zijn echtgenote centraal. De echtgenote was gedurende de procedure toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en later failliet verklaard. De curatoren vorderen afdracht van een koopsom die de echtgenote ontving uit de verkoop van inboedel die onder pandrecht stond.
De rechtbank had de vordering toegewezen, maar het hof stelt vast dat op grond van artikel 29 FwPro jo. 313 Fw de procedure geschorst dient te worden zodra schuldsanering of faillissement van de wederpartij wordt uitgesproken. Dit geldt echter alleen voor de instantie waar het geding aanhangig was op dat moment. Na die instantie moet het geding door of tegen de bewindvoerder of curator worden voortgezet.
Omdat het hoger beroep door de echtgenote zelf is ingesteld terwijl zij onder schuldsanering viel en later failliet werd verklaard, kan het hof het geding niet in behandeling nemen. Het hof verwijst de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de gevolgen hiervan en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere procedurele afhandeling en verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.217.979/01
arrest van 29 januari 2019
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. A.M.M. Vermeijden te 's-Gravenhage,
tegen
Philip Willem Scheurs q.q., i.z.h.v. curator in het faillissement van [betrokkene] ,wonende te [woonplaats] ,
Jan Evert Stadig q.q., i.z.h.v. curator in het faillissement van [betrokkene] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als curatoren van [betrokkene] ,
advocaat: mr. M.W. Steenpoorte te 's-Hertogenbosch,
op het bij exploot van dagvaarding van 6 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 oktober 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en de curatoren van [betrokkene] als eisers.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/288361 / HA ZA 15-24)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met productie;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3.De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan, voor zover thans van belang, worden uitgegaan van het volgende.
a. a) Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 16 april 2013 werd de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) in Nederland in staat van faillissement verklaard met aanstelling van thans geïntimeerden als curatoren. Dit vonnis werd door dit hof bekrachtigd.
Bij arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2014 werd het beroep in cassatie van [betrokkene] verworpen.
Op 5 juni 2014, onherroepelijk bekrachtigd door het Zwitserse federale gerechtshof op 23 maart 2015, werd [betrokkene] ook in Zwitserland failliet verklaard.
b) [appellante] is (thans) de echtgenote van [betrokkene] , voorheen was zij gedurende vele jaren zijn (niet-geregistreerde) partner, en woonden zij samen.
c) [betrokkene] is eigenaar van een woning in [plaats 1] . Volgens een ongedateerde huurovereenkomst heeft hij die woning op 18 maart 2007 aan [appellante] verhuurd. [betrokkene] was eigenaar van een woning in [plaats 2] (Zwitserland), die hij op enig moment aan zijn kinderen heeft geschonken, waarbij zij hem een exclusief gebruiksrecht op die woning gaven.
d) Bij wege van uitwinning van een gesteld aan haar toekomend pandrecht op de aan [betrokkene] toebehorende onverdeelde helft van de inboedels van de woningen in [plaats 1] en [plaats 2] heeft [appellante] , met toestemming van de voorzieningenrechter, die inboedels onderhands aan zichzelf verkocht. De koopsom van € 115.600,- excl. btw is volgens [appellante] door vermenging voldaan, nu [appellante] optrad als zowel verkoper (executerend pandhouder) als koper (schuldenaar).
e) De (Nederlandse) Belastingdienst heeft een aanzienlijke (ruim € 500.000) vordering op [betrokkene] , die niet uit het vrije boedelactief kan worden voldaan.
De curatoren van [betrokkene] stellen zich op het standpunt dat het fiscale voorrecht ten aanzien van deze vordering op grond van art. 21 InvorderingswetPro 1990 boven het pandrecht van [appellante] gaat , en dat [appellante] daarom de koopprijs van de inboedels op grond van artikel 57 lid 3 FwPro aan de boedel van [betrokkene] moet afdragen.
3.2.
De curatoren van [betrokkene] hebben [appellante] op 17 december 2014 in rechte betrokken, en afdracht door haar van € 115.600 exc. btw met rente en kosten gevorderd.
Na verweer van [appellante] heeft de rechtbank bij het thans beroepen vonnis deze vordering toegewezen.
3.3.1. (
i) De laatste proceshandeling (een nadere akte van [appellante] ) in de procedure in eerste aanleg vond plaats op 6 januari 2016. Vervolgens is vonnis gevraagd.
(ii) Op 14 juni 2016 is [appellante] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit is het hof ambtshalve bekend (het blijkt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2220), en wordt overigens ook (onder opgave van het tijdstip “medio juni 2016”) door de curatoren van [betrokkene] in de memorie van antwoord vermeld.
(iii) Op 12 oktober 2016 heeft de rechtbank het bestreden vonnis gewezen.
(iv) Op 6 januari 2017 is [appellante] van dat vonnis in hoger beroep gekomen.
(v) Op 28 november 2017 is in dit hoger beroep arrest gevraagd. In verband daarmee hebben partijen op 12 respectievelijk 19 december 2017 hun procesdossiers overgelegd aan het hof.
(vi) De schuldsanering van [appellante] is tussentijds beëindigd, hetgeen is bekrachtigd door dit hof op 30 augustus 2018. De Staatscourant vermeldt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [appellante] op 8 september 2018 is omgezet naar faillissement. Als curatoren zijn benoemd mr. H.J. School en mr. P.W. Schreurs . Ook deze kennis – die ook via het Centraal Insolventieregister kan worden bekomen en via de conclusie van de A-G bij voormeld arrest van de Hoge Raad - heeft het hof ambtshalve.
3.3.2.
Vanwege het bepaalde in artikel 30 lid 1 FwPro jo artikel 313 FwPro kon de rechtbank bij haar vonnis van 12 oktober 2016 geen rekening houden met de inmiddels uitgesproken toelating tot de schuldsanering van [appellante] . Om dezelfde reden (artikel 30 lid 1 FwPro) kan het hof thans geen rekening houden met het inmiddels van toepassing zijnde faillissement van [appellante] .
3.3.3.
De door de curatoren van [betrokkene] jegens [appellante] ingestelde vordering is een verifieerbare vordering, als bedoeld in artikel 26 FwPro (jo. artikel 313 FwPro). De tekst van artikel 26 FwPro bepaalt dat deze vorderingen op geen andere wijze kunnen worden ingesteld dan door indiening ter verificatie (in het faillissement of de schuldsanering). Bij lopende procedures met betrekking tot verifieerbare vorderingen geldt het bepaalde in artikel 29 FwPro (jo artikel 313 FwPro), namelijk dat het geding van rechtswege wordt geschorst.
3.3.4.
Uit HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0070, NJ 2009, 55 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1311, NJ 2018,70 blijkt echter dat artikel 29 FwPro (jo artikel 313 FwPro) alleen ziet op de instantie waar het geding aanhangig was op het moment dat (i.c.) de schuldsanering of het faillissement werd uitgesproken, uitgezonderd de situatie van artikel 30 lid 1 FwPro jo artikel 313 FwPro. Na die instantie moet het geding door of tegen de bewindvoerder of de curator worden voortgezet. Het onderhavige hoger beroep is echter door [appellante] zelf ingesteld, terwijl de wettelijke schuldsaneringsregeling toen op haar van toepassing was. Voorts is zij tijdens het hoger beroep in staat van faillissement komen te verkeren.
3.4.
Het hof zal de zaak daarom naar de rol verwijzen, opdat partijen zich kunnen uitlaten over de consequenties van het vorenstaande voor de onderhavige procedure.
Iedere overige beslissing zal worden aangehouden.
4.De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 19 februari 2019 voor akte aan de zijde van beide partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, D.A.E.M. Hulskes en H.R. Quint en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 januari 2019.