ECLI:NL:GHSHE:2019:2410
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging huurrechten echtelijke woning na echtscheiding ondanks geschil over bewoning
Partijen zijn gescheiden ouders van vijf meerderjarige kinderen. De rechtbank had bepaald dat de man na de echtscheiding huurder zou zijn van de voormalige echtelijke woning. De vrouw stelde in hoger beroep dat zij huurder moest worden, omdat twee kinderen bij haar wilden blijven wonen en zij elders geen passende woonruimte had. De man betwistte dit en verwees naar de eerdere toewijzing en de toezegging van de vrouw om de woning te verlaten.
Het hof oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van de man tegen de echtscheiding niet-ontvankelijk was omdat het na de beroepstermijn was ingediend. Ten aanzien van het huurrecht overwoog het hof dat de vrouw tijdelijk bij haar meerderjarige zoon met een ruime woning kan verblijven, wat een redelijk alternatief is. De stelling van de vrouw dat zij niet bij die zoon kan wonen wegens verhuurdersweigering was onvoldoende onderbouwd.
Verder was onvoldoende gebleken dat de man elders woonruimte heeft. De positie van het kind dat bij de vrouw wil blijven wonen werd als ondergeschikt beoordeeld. De vrouw had ook een betalingsregeling getroffen voor haar huurachterstand en zij kon opnieuw voor woningtoewijzing in aanmerking komen. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking dat de man huurder blijft van de woning.
Uitkomst: Het hof verklaart het incidenteel hoger beroep van de man niet-ontvankelijk en bekrachtigt dat de man huurder blijft van de voormalige echtelijke woning.