De werknemer trad in 2009 in dienst bij de werkgever en werd in 2016 arbeidsongeschikt verklaard wegens psychische klachten. In 2018 ontving de werkgever een anonieme melding dat de werknemer tijdens zijn ziekte zwart zou werken bij een autopoetsbedrijf. Na onderzoek en observaties werd de werknemer op 17 september 2018 op staande voet ontslagen wegens het verrichten van werkzaamheden tijdens arbeidsongeschiktheid zonder melding aan de werkgever.
De werknemer betwistte het ontslag en vorderde onder meer een verklaring voor recht dat het ontslag niet rechtsgeldig was, een gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding en transitievergoeding. De kantonrechter wees de verzoeken van de werknemer grotendeels toe en wees de verzoeken van de werkgever af.
In hoger beroep stond centraal of sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Het hof oordeelde dat de werkgever onvoldoende onderzoek had gedaan, met name geen advies had ingewonnen bij de bedrijfsarts terwijl deze aanwezig was, en dat het ontslag daarom onterecht was. Tevens was er geen sprake van ernstige verwijtbaarheid van de werknemer. De toekenning van een billijke vergoeding werd bevestigd, waarbij het hof het bedrag van €2.500 passend achtte gezien de omstandigheden en duur van het dienstverband.
Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking, compenseerde de proceskosten en wees verdere verzoeken af. Het ontslag op staande voet werd daarmee onterecht verklaard en de werknemer kreeg een billijke vergoeding toegekend.