De ouders van de minderjarige zijn sinds 1998 gehuwd geweest en zijn in 2006 uit elkaar gegaan, met een echtscheiding uitgesproken in 2015. De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder en verblijft om het weekend bij de vader. Sinds september 2016 staat de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI).
De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd tot maart 2020. De moeder ging in hoger beroep en betoogde dat na drie jaar ondertoezichtstelling geen verbetering is opgetreden en dat voortzetting niet zinvol is. Zij wees op de hulpmoeheid van de minderjarige en de wens van rust. De GI verzocht het beroep af te wijzen en benadrukte de noodzaak van voortzetting van de hulpverlening, mede vanwege de hevige ex-partnerstrijd en de loyaliteitsproblemen van de minderjarige.
Het hof concludeerde dat ondanks de hulpmoeheid van de minderjarige de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de ernstige ontwikkelingsbedreiging te beperken. De langdurige en heftige ouderstrijd belast de minderjarige emotioneel zwaar. Het hof achtte het solo parallel ouderschap en verbetering van oudercommunicatie essentieel en zag onvoldoende vertrouwen dat ouders dit vrijwillig kunnen bereiken. De moeder's verzoek tot benoeming van een bijzondere curator werd afgewezen omdat dit de minderjarige zou belasten en het hof voldoende zicht heeft op de problematiek.
De bestreden beschikking werd bekrachtigd, waarbij de proceskosten ieder voor eigen rekening worden gelaten.