Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
4.De beslissing
[de pleegvader] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats] ;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak stond de voogdij over twee minderjarige kinderen centraal. De rechtbank Limburg had eerder het gezag van de moeder beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemd. De pleegvader, tevens grootvader van moederszijde, ging in hoger beroep tegen de voogdijtoewijzing aan de GI en vorderde zelf tot voogd te worden benoemd.
Tijdens de procedure heeft het hof de standpunten van partijen gehoord. De pleegvader betoogde dat hij de dagelijkse verzorging en opvoeding al jaren verzorgt en voldoende ondersteuning krijgt. De GI stelde dat het uitoefenen van voogdij meer vereist dan opvoeding alleen en dat de pleegvader mogelijk overvraagd zou worden, met name gezien de rol van de biologische ouders.
Het hof constateerde dat er feitelijk geen problemen zijn met het oudste kind, maar wel zorgen bestaan omtrent het jongste kind. Daarom stelde het hof een constructie voor waarbij de pleegvader voogd wordt over het oudste kind en de GI voogd blijft over het jongste kind. Partijen stemden hiermee in.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover de GI voogd was over het oudste kind en benoemde de pleegvader tot voogd over dit kind. De rest van de beschikking werd bekrachtigd. Deze oplossing dient het belang van beide kinderen en bevordert samenwerking tussen pleegvader en GI.
Uitkomst: Het hof wijzigt de voogdijregeling door de pleegvader voogd te maken over het oudste kind en de GI voogd te laten over het jongste kind.