Belanghebbende had voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen waarbij de Inspecteur de aftrekbare giften corrigeerde en slechts een deel van de opgevoerde giften accepteerde. Belanghebbende was het hier niet mee eens en ging in beroep bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof.
Tijdens het hoger beroep heeft belanghebbende aanvullende stukken overgelegd, waaronder kwitanties en grootboekmutatiekaarten van de betrokken stichtingen, die door het Hof werden beoordeeld. Het Hof oordeelde dat belanghebbende het voordeel van de twijfel toekomt ten aanzien van de giften aan Stichting 4 en Stichting 3, ondanks enkele twijfels van de Inspecteur over de authenticiteit van de kwitanties. De giften aan Stichting 2 waren grotendeels niet in geschil.
De gift aan Stichting 5, bestaande uit het afzien van reiskosten, werd door de Inspecteur betwist, maar het Hof liet deze discussie buiten beschouwing omdat de maximale aftrek van €3.575 al werd bereikt met de andere giften. Het Hof vernietigde het vonnis van de Rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en stelde de aanslag vast op basis van het belastbaar inkomen met inachtneming van de maximale giftenaftrek.
Daarnaast werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en een proceskostenvergoeding aan belanghebbende, omdat het hoger beroep gegrond werd verklaard op basis van stukken die in hoger beroep waren overgelegd. Het Hof wees een vergoeding toe van €2.048 voor de kosten van het geding bij Rechtbank en Hof.