Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam in België, verzocht om een middelingsteruggaaf over de jaren 2011 tot en met 2013. De Inspecteur wees dit verzoek af op grond van artikel 3.154 lid 6 Wet IB 2001, omdat door toepassing van het nieuwe Belastingverdrag de heffingsbevoegdheid over de Belgische inkomsten aan België toekomt en daardoor de middelingsteruggaaf nihil wordt.
Belanghebbende stelde dat deze afwijzing in strijd is met artikel 45 van Pro het VWEU en dat Nederland compensatie moet verlenen op grond van artikel 27, paragraaf 2, van het nieuwe Belastingverdrag. Het Hof oordeelde dat de belemmering voortkomt uit verschillen tussen het Belgische en Nederlandse belastingsysteem en dat artikel 45 VWEU Pro deze niet verbiedt. Ook verplicht artikel 27, paragraaf 2, Nederland niet tot compensatie van de middelingsteruggaaf.
Verder wees het Hof het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat eerdere toegekende teruggaafverzoeken niet inhoudelijk waren gecontroleerd en na 2014 een andere werkwijze geldt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om middelingsteruggaaf bevestigd.