Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
5.Het verloop van de procedure
- het schriftelijk pleidooi, waarbij partijen pleitnota’s hebben overgelegd;
- de antwoordakte van [appellant] (aangeduid als ‘pleitnota - dupliek).
6.De beoordeling
(….) Resteert het feit dat partijen nog afspraken dienen te maken over het paard dat zij gezamenlijk bezitten. (…)”.Voorts heeft [appellant] verwezen naar een brief van de toenmalige advocaat van [geïntimeerde 1] van 13 september 2013 (productie 16 bij de inleidende dagvaarding). [geïntimeerde 1] heeft hierover opgemerkt dat hij destijds in de veronderstelling verkeerde dat het paard gezamenlijk eigendom was en dat hij op dat moment nog geen bewijs had om aan de koop van het paard te twijfelen. Het hof overweegt dat van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv Pro geen sprake is, reeds niet omdat de gestelde erkenning niet in rechte is gedaan. Het staat [geïntimeerde 1] vrij om in rechte alsnog te betwisten dat het paard gezamenlijk eigendom was. In de gegeven omstandigheden acht het hof dit ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.