Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.De slotsom
€ 716,-
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond de vraag centraal wie de werkgever was van de werknemer na de overgang van een cateringonderneming. De werknemer was sinds 2001 in dienst bij de oude werkgever en werkte onder de cao Contract Catering. Op 29 augustus 2016 nam een andere vennootschap de onderneming en het personeelsbestand over.
De werknemer vorderde betaling van loon en pensioenpremies vanaf januari 2017, terwijl beide werkgevers weigerden te betalen. De kantonrechter veroordeelde beide werkgevers hoofdelijk tot betaling. In hoger beroep stelde de oude werkgever dat zij na de overgang geen werkgever meer was en dus niet aansprakelijk kon zijn voor loonbetalingen na de overnamedatum.
Het hof bevestigde dat de overgang van onderneming had plaatsgevonden en dat op grond van artikel 7:663 BW Pro de oude werkgever slechts aansprakelijk is voor verplichtingen die zijn ontstaan vóór de overgang. Omdat de werknemer loon vorderde vanaf januari 2017, na de overname, was de oude werkgever niet gehouden tot betaling. De vordering werd daarom afgewezen en het eerdere vonnis vernietigd voor zover het de oude werkgever betrof. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tegen de oude werkgever worden afgewezen en zij is niet aansprakelijk voor loonbetalingen na de overgang van onderneming.